TUCHT - BEWIJS - GETUIGEN - MOTIVERING
De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD. Ter tuchtzitting stelt klager dat het geen nut heeft om er iets over te gaan zeggen. De advocaat voert aan dat er sprake is van een schending van artikel 144, §1 Basiswet en meent dat klager niet had gesanctioneerd mogen worden op basis van het RAD.
De klachtencommissie acht het niet strijdig met artikel 144, §1 Basiswet dat een beambte geadviseerd wordt door een andere beambte, hiërarchisch hoger of niet, of een bepaald feit als tuchtrechtelijke inbreuk zou kunnen gezien worden, waarna deze beambte al dan niet overgaat tot het opstellen van een RAD. Ook staat het volgens de klachtencommissie niet vast dat de beambte zelf helemaal niet van plan was een RAD op te stellen en dat ze dit enkel deed op aansturen van een hiërarchisch hogere. De opsteller van het RAD heeft volgens de klachtencommissie op dit punt niet in strijd met artikel 144, §1 Basiswet gehandeld.
De klachtencommissie wijst erop dat artikel 144, §1 Basiswet zelf niets bepaalt inzake het vermelden van getuigen op het RAD. De Collectieve brief nr. 124 “Tuchtregime van gedetineerde” (geactualiseerde versie van 26 februari 2026) vereist dit wel (p. 11). Dit alles doet volgens de klachtencommissie in het voorliggend dossier echter weinig ter zake, aangezien klager enkel werd gesanctioneerd voor de feiten inzake het winket (het roepen en het praten met een medegedetineerde tijdens de etensbedeling), die door de beambte die het RAD heeft opgesteld zélf werden vastgesteld (en waarvoor nog een andere Pba als getuige werd vermeld).
Wat betreft het tijdstip dat genoteerd werd op het RAD, is het inderdaad niet mogelijk dat alles zich precies om 10u30 voordeed. Dit betreft uiteraard het aanvangsuur. Volgens de klachtencommissie bevat het RAD voldoende andere elementen aan de hand waarvan de verschillende feiten in de tijd gesitueerd kunnen worden (terugkomen van de fitness, terugkomen van de douche, etensbedeling).
Klager werd enkel gesanctioneerd voor de feiten inzake het winket. Ongeacht de reden daartoe (zoals de advocaat zegt “dat klager uit ervaring weet dat zijn woord niet kan opwegen tegen dat van een beambte”) stelt de klachtencommissie vast dat klager hierover ter tuchtzitting géén tegenindicaties aanvoerde. De klachtencommissie vindt het dan ook niet uit de lucht gegrepen dat de directie dit alles in de motivering benoemt als “de feiten worden niet betwist”. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte.
De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de orde, zoals omschreven in artikel 2, 7° (artikel 129, 5° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.
Klager kreeg 7 dagen ATV. De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en redelijk.
De klacht is ongegrond.
De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD. Ter tuchtzitting stelt klager dat het geen nut heeft om er iets over te gaan zeggen. De advocaat voert aan dat er sprake is van een schending van artikel 144, §1 Basiswet en meent dat klager niet had gesanctioneerd mogen worden op basis van het RAD.
De klachtencommissie acht het niet strijdig met artikel 144, §1 Basiswet dat een beambte geadviseerd wordt door een andere beambte, hiërarchisch hoger of niet, of een bepaald feit als tuchtrechtelijke inbreuk zou kunnen gezien worden, waarna deze beambte al dan niet overgaat tot het opstellen van een RAD. Ook staat het volgens de klachtencommissie niet vast dat de beambte zelf helemaal niet van plan was een RAD op te stellen en dat ze dit enkel deed op aansturen van een hiërarchisch hogere. De opsteller van het RAD heeft volgens de klachtencommissie op dit punt niet in strijd met artikel 144, §1 Basiswet gehandeld.
De klachtencommissie wijst erop dat artikel 144, §1 Basiswet zelf niets bepaalt inzake het vermelden van getuigen op het RAD. De Collectieve brief nr. 124 “Tuchtregime van gedetineerde” (geactualiseerde versie van 26 februari 2026) vereist dit wel (p. 11). Dit alles doet volgens de klachtencommissie in het voorliggend dossier echter weinig ter zake, aangezien klager enkel werd gesanctioneerd voor de feiten inzake het winket (het roepen en het praten met een medegedetineerde tijdens de etensbedeling), die door de beambte die het RAD heeft opgesteld zélf werden vastgesteld (en waarvoor nog een andere Pba als getuige werd vermeld).
Wat betreft het tijdstip dat genoteerd werd op het RAD, is het inderdaad niet mogelijk dat alles zich precies om 10u30 voordeed. Dit betreft uiteraard het aanvangsuur. Volgens de klachtencommissie bevat het RAD voldoende andere elementen aan de hand waarvan de verschillende feiten in de tijd gesitueerd kunnen worden (terugkomen van de fitness, terugkomen van de douche, etensbedeling).
Klager werd enkel gesanctioneerd voor de feiten inzake het winket. Ongeacht de reden daartoe (zoals de advocaat zegt “dat klager uit ervaring weet dat zijn woord niet kan opwegen tegen dat van een beambte”) stelt de klachtencommissie vast dat klager hierover ter tuchtzitting géén tegenindicaties aanvoerde. De klachtencommissie vindt het dan ook niet uit de lucht gegrepen dat de directie dit alles in de motivering benoemt als “de feiten worden niet betwist”. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte.
De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de orde, zoals omschreven in artikel 2, 7° (artikel 129, 5° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.
Klager kreeg 7 dagen ATV. De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en redelijk.
De klacht is ongegrond.
Er werd een beroepsdossier met referentie BC/26-0286 opgestart