Ga verder naar de inhoud

KC12/25-0032

Gegrond KC - Ieper Klachtencommissie Tucht
TUCHT - BIJSTAND ADVOCAAT

Uit het tuchtdossier blijkt dat het formulier “mededeling aan de gedetineerde inzake de tuchtprocedure” niet voorafgaand aan de tuchtrechtelijke hoorzitting aan klager werd bezorgd. Via dit formulier heeft de gedetineerde normaal de mogelijkheid om een eigen gekozen advocaat op te geven door wie hij wenst te worden bijgestaan. Klager had deze mogelijkheid niet. Hij werd mondeling bevraagd over de gewenste advocaat. Door een miscommunicatie onder het gevangenispersoneel werd deze naam niet aan de griffie doorgegeven, waarop de griffie de vorige advocaat van klager uitnodigde voor de hoorzitting. De naam van deze advocaat, die niet door klager gekozen werd, werd ook in zijn plaats door een medewerker van de gevangenis op het formulier “mededeling aan de gedetineerde inzake de tuchtprocedure” genoteerd. Klager werd nadien gevraagd om alsnog het formulier te ondertekenen, wat hij (terecht) weigerde.

Omdat klager niet wou bijgestaan worden door zijn voormalige advocaat, ging de tuchtzitting zonder advocaat door. In het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting geeft de directie hiervoor als reden dat de tucht “omwille van een VM” niet uitgesteld kon worden.

Dat klager onder een voorlopige maatregel stond en hij hierdoor normaal gezien binnen de 72 uren moet worden gehoord nadat een dergelijke maatregel in werking is getreden, doet niets af aan het recht op bijstand van een advocaat.

De klachtencommissie stelt een schending van artikel 144, §3 en §4 van de Basiswet vast. De klacht is gegrond.