Ga verder naar de inhoud

KC12/25-0087

Gegrond KC - Ieper Klachtencommissie Tucht
TUCHT - TOEREKENBAARHEID

Het vermoeden van onschuld is een fundamenteel beginsel van het tuchtrecht. Het houdt in dat eenieder tegen wie een tuchtvervolging is ingesteld, voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. In dezelfde zin bepaalt artikel 144, § 6, tweede lid, van de basiswet dat “de gedetineerde alleen schuldig kan worden verklaard aan de hem ten laste gelegde tuchtrechtelijke inbreuk wanneer de directeur, op grond van al het bewijsmateriaal waarover hij beschikt, de ten laste gelegde schuldig acht”. Hieruit volgt niet alleen dat op de tuchtoverheid de bewijslast rust van het bewezen zijn van het ten laste gelegde tuchtvergrijp doch ook dat het tuchtfeit aan de tuchtrechtelijk vervolgde (individueel) kan worden toegerekend. Het belang van dat laatste voorschrift vindt nog steun in de parlementaire voorbereiding bij de basiswet waarin - naast onder meer het legaliteitsbeginsel, het non bis in idem-beginsel, het recht van verdediging, - het verbod van collectieve straffen wordt aangehaald als één van de beginselen die een correcte toepassing van het tuchtrecht in het gevangeniswezen behoren te garanderen.

De klachtencommissie stelt vast dat de directeur onvoldoende onderzocht heeft of de tuchtinbreuk die betrekking heeft op de schade aan het raam individueel aan klager kon worden toegerekend. Zo werden klager en zijn celgenoot voor dezelfde inbreuk gesanctioneerd. Dit blijkt uit het dossier KC12/25-0086.

De klacht is gegrond.