Ga verder naar de inhoud

KC16/22-0102

Ongegrond KC - Leuven Centraal Klachtencommissie Tucht
TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES - GEURWAARNEMING - VERBODEN VOORWERPEN

Er werd een rapport aan de directeur (RAD) opgemaakt. Toen opsteller achteraan in de bibliotheek kwam, kon hij een sterke wietgeur waarnemen. Bij navraag bleken er maar een 4-tal gedetineerden in de bib te zijn geweest. Klager had daar een tijdje op die plaats gestaan. Op de cel van klager kon ook een wietgeur waargenomen worden. Intussen werden nog twee rapporten opgesteld. Opsteller wou de post bedelen. Hij wou de celdeur van klager openen maar dat ging niet omdat de deur geblokkeerd was. Wanneer opsteller door het winket keek, zag hij een USB-menu openstaan op de TV. Klager zou onmiddellijk iets uit de achterkant van de tv hebben getrokken. Opsteller vroeg aan klager om de USB-stick af te geven maar klager heeft de USB-stick in het toilet gegooid en doorgespoeld. Vervolgens werd nog een RAD opgemaakt wegens lawaaihinder.

Klager wenste niet te verschijnen op de tuchthoorzitting. De directie achtte de feiten allemaal bewezen en heeft klager schuldig verklaard aan inbreuken van eerste en van tweede categorie. Klager betwist in zijn klachtenformulier het bezit van wiet en het bezit van de USB-stick.

In de eerste plaats merkt de klachtencommissie op dat het rapport over lawaaihinder de identiteit en de hoedanigheid van de opsteller niet vermeldt. Nochtans wordt dit vereist door de Basiswet. Als gevolg van deze onregelmatigheid, moet het rapport als onbestaande worden beschouwd en mocht de directeur geen rekening houden met dit rapport tijdens de tuchtprocedure. Klager kon dan ook niet gesanctioneerd worden voor de inbreuk van het veroorzaken van lawaaihinder.

Wat de overige drie inbreuken betreft, geldt als algemeen principe dat de directie slechts een tuchtsanctie kan opleggen op grond van feiten die op rechtmatige wijze bewezen zijn. Zij kan geen tuchtstraf opleggen die is gebaseerd op onbestaande, onjuiste of niet nauwkeurig vastgestelde feiten. Een directeur mag in de motivering van zijn beslissing verwijzen naar een  voldoende duidelijk  RAD en op basis daarvan een tuchtsanctie opleggen.  De klachtencommissie  ziet geen reden  waarom  de directie zich bij het nemen van de bestreden beslissing niet  had  mogen  steunen op de rapporten. Klager heeft zelf toegegeven dat de toegang tot zijn cel was verhinderd omdat er een emmer water voor stond. Nochtans schrijft het huishoudelijk reglement voor dat het inrichten van de verblijfsruimte het doorzoeken van de verblijfsruimte in geen geval mag verhinderen. Bovendien is de vaststelling dat opsteller een melding van een USB-menu ziet verschijnen op het televisietoestel van klager, waarna klager met deze vaststelling wordt geconfronteerd en hij in paniek iets door het toilet wegspoelt, een aanwijzing dat klager in het bezit was van een voorwerp dat niet mocht gevonden worden door het personeel.

Tenslotte brengt de klachtencommissie het vermoeden van onschuld in herinnering dat een algemeen rechtsbeginsel is. Om die reden meent de klachtencommissie dat een gedetineerde enkel gesanctioneerd kan worden voor het bezit van verboden substanties indien de geurwaarneming voldoende geïndividualiseerd en geobjectiveerd werd en het vermoeden van bezit daarenboven werd ondersteund door bijkomende belastende elementen. In dit dossier werd zowel een wietgeur waargenomen in de bibliotheek waar klager aanwezig was geweest, als in zijn cel op het moment dat klager in zijn cel zat. Beide geurwaarnemingen werden bevestigd door meerdere personen. Bovendien heeft klager in het verleden al gelijkaardige tuchtinbreuken gepleegd.

De klachtencommissie besluit bijgevolg dat de directie in redelijkheid en billijkheid kon besluiten tot het bewezen zijn van de overige tuchtinbreuken.