KC16/22-0103
Ongegrond
Onontvankelijk
KC - Leuven Centraal
Klachtencommissie
Tucht
Geen beslissing directeur
TUCHT - VERBODEN VOORWERPEN - RECHT VAN VERDEDIGING - PUNTENSYSTEEM
Klager heeft een klacht ingediend tegen een tuchtbeslissing en tegen het puntensysteem. Zowel klager als de directeur hebben echter verklaard dat er naar aanleiding van de tuchtbeslissing geen punten werden toegekend. Bijgevolg werd er geen beslissing door de directeur genomen. De klacht is tegen het puntensysteem is bijgevolg niet-ontvankelijk.
Er werd een rapport aan de directeur (RAD) opgemaakt omdat er in de cel van klager een gsm was gevonden. Klager had bovendien spontaan de oplader afgegeven. Klager betwist de tuchtinbreuk overigens ook niet. Hij is echter van oordeel dat zijn rechten van verdediging zijn geschonden omdat hij niet werd gehoord. De klachtencommissie is echter een andere mening toegedaan en is van oordeel dat klager niet aantoont dat hij daadwerkelijk in zijn belangen is geschaad doordat hij niet werd gehoord. Reeds voorafgaand aan de tuchthoorzitting had hij de inbreuk immers toegegeven zodat de klachtencommissie meent dat klager geen wezenlijk verschil meer kon betekenen op de tuchthoorzitting.
De klachtencommissie besluit bijgevolg dat de directie in redelijkheid en billijkheid kon besluiten tot het bewezen zijn van de tuchtinbreuk. De klacht is ongegrond.
Klager heeft een klacht ingediend tegen een tuchtbeslissing en tegen het puntensysteem. Zowel klager als de directeur hebben echter verklaard dat er naar aanleiding van de tuchtbeslissing geen punten werden toegekend. Bijgevolg werd er geen beslissing door de directeur genomen. De klacht is tegen het puntensysteem is bijgevolg niet-ontvankelijk.
Er werd een rapport aan de directeur (RAD) opgemaakt omdat er in de cel van klager een gsm was gevonden. Klager had bovendien spontaan de oplader afgegeven. Klager betwist de tuchtinbreuk overigens ook niet. Hij is echter van oordeel dat zijn rechten van verdediging zijn geschonden omdat hij niet werd gehoord. De klachtencommissie is echter een andere mening toegedaan en is van oordeel dat klager niet aantoont dat hij daadwerkelijk in zijn belangen is geschaad doordat hij niet werd gehoord. Reeds voorafgaand aan de tuchthoorzitting had hij de inbreuk immers toegegeven zodat de klachtencommissie meent dat klager geen wezenlijk verschil meer kon betekenen op de tuchthoorzitting.
De klachtencommissie besluit bijgevolg dat de directie in redelijkheid en billijkheid kon besluiten tot het bewezen zijn van de tuchtinbreuk. De klacht is ongegrond.