Ga verder naar de inhoud

KC16/22-0113

Ongegrond KC - Leuven Centraal Klachtencommissie Tucht
TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES - VERBODEN VOORWERPEN

Aan klager werd tijdens een celcontrole gevraagd om zijn zakken leeg te maken waarop hij nerveus reageerde, iets in zijn mond stak en doorslikte. Klager verzette zich heel hevig tegen de celcontrole waarop werd beslist om een naaktfouille uit te voeren. Voorafgaand aan de naaktfouille gaf hij nog een smartphone af. Aan zijn celdeur lag de vest van klager nog en daar werd nog een vermoedelijk verboden substantie terug gevonden. Vervolgens werd nog een tweede rapport opgemaakt omdat in de broekzak van klager een USB-stick was gevonden. Op de tuchthoorzitting gaf klager toe dat de smartphone en de USB-stick van hem waren. Hij hield de cocaïne bij voor iemand anders en raakte op het moment van de celcontrole in paniek en besloot om de cocaïne in te slikken. De softdrugs die gevonden werden, zouden niet van hem zijn.
 
Als algemeen principe geldt dat de directie slechts een tuchtsanctie kan opleggen op grond van feiten die op rechtmatige wijze bewezen zijn. Zij kan geen tuchtstraf opleggen die is gebaseerd op onbestaande, onjuiste of niet nauwkeurig vastgestelde feiten. De rapporten aan de directeur (RAD) vormen voor de directie een belangrijke basis als bewijs voor een tuchtrechtelijke inbreuk. De directie mag in de motivering van haar beslissing verwijzen naar een  voldoende duidelijk  RAD en op basis daarvan een tuchtsanctie opleggen omdat de directie er redelijkerwijze kan van uitgaan dat deze rapporten een correcte weergave zijn van de feiten, tenzij er overtuigende elementen worden aangevoerd die het tegendeel aantonen. De klachtencommissie is van oordeel dat de directie in redelijkheid en billijkheid kon besluiten tot het bewezen zijn van de tuchtinbreuken.
 
De klacht is ongegrond.