KC16/23-0094
Ongegrond
Gegrond
KC - Leuven Centraal
Klachtencommissie
Andere beslissing directeur
Tucht
TUCHT - PUNTENSYSTEEM - MOTIVERING
De klacht betreft de tuchtbeslissing en het opleggen van vijf punten door de directie van de gevangenis.
Wat betreft de tuchtbeslissing:
In casu heeft een personeelslid een RAD opgemaakt om te melden dat er tumult was ontstaan op de sectie van vleugel D. Toen opsteller samen met twee collega’s zich ging vergewissen van de situatie, trof hij een gedetineerde aan die gekwetst was aan zijn oog en hals. De gedetineerde gaf onmiddellijk aan dat hij slagen had gekregen van klager. Toen klager hiermee werd geconfronteerd, gaf hij onmiddellijk toe dat hij de gedetineerde had geduwd in zijn cel.
De directeur oordeelt vervolgens over het bewezen zijn van de feiten en dus over de vraag of de voorgelegde gegevens, in casu het RAD, volstaan om de ten laste gelegde feiten voor bewezen te houden. De directie heeft daarbij een discretionaire beoordelingsbevoegdheid. Omdat de Basiswet geen bijzondere bewijswaardering in tuchtzaken bepaalt, mag de directeur niet alleen steunen op bekentenissen of vaststaande bewijzen, maar ook op getuigenissen, vermoedens, enz. Als algemeen principe geldt dat de directie slechts een tuchtsanctie kan opleggen op grond van feiten die op rechtmatige wijze bewezen zijn. Zij kan geen tuchtstraf opleggen die is gebaseerd op onbestaande, onjuiste of niet nauwkeurig vastgestelde feiten.
De klachtencommissie heeft kennis genomen van het RAD. De klachtencommissie meent dat dit rapport duidelijke vaststellingen bevat. Bovendien herhaalde klager tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting dat hij de gedetineerde enkel had geduwd. Zoals de directie ook in haar tuchtbeslissing en haar verweer heeft benadrukt en nog eens heeft verduidelijkt tijdens de zitting, valt duwen ook onder de tuchtrechtelijke inbreuk van de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit.
De klachtencommissie is bijgevolg van oordeel dat de directie in redelijkheid en billijkheid kon besluiten tot het bewezen zijn van de tuchtinbreuk.
De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van vijf dagen ATV. Voor een inbreuk van eerste categorie is de maximale sanctie dertig dagen waardoor de sanctie wettig is en zeker niet onredelijk of onbillijk. Om deze redenen is de klacht ongegrond.
Wat betreft het opleggen van vijf punten:
De directie blijft van oordeel dat het toekennen van punten het automatische gevolg is van het plegen van een bepaalde tuchtinbreuk – en dit op basis van de brochure basisregime– en dus geen voorafgaande individuele beoordeling van de gevangenisdirecteur veronderstelt. De toekenning van punten is volgens haar niet meer dan de loutere toepassing van de brochure basisregime.
De klachtencommissie is een andere mening toegedaan. De beslissing om een gedetineerde van het ene naar het andere regime over te plaatsen, is inherent een geïndividualiseerde beslissing die een welbepaalde gedetineerde (be)treft. Ook al giet de directie haar beslissingsbevoegdheid omtrent cel- en regimemutaties in algemene richtlijnen die automatisch uitwerking zouden vinden, in casu het puntensysteem, betekent dit niet dat de directie hierdoor het toezicht van de klachtencommissie ontloopt.
De toekenning van punten blijft bijgevolg onmiskenbaar een beslissing van de directie ten aanzien van een individuele gedetineerde, klager. Dit wordt bevestigd door de onlosmakelijke verknochtheid tussen het puntensysteem en de tuchtprocedure. De directie stelt immers dat “iedere gedetineerde die één van de tuchtrechtelijke inbreuken pleegt die worden weerhouden in het basisregime, punten krijgt toebedeeld.” Wanneer de directie dus een tuchtbeslissing neemt, in casu de tuchtbeslissing, neemt zij daardoor ook onmiddellijk in dat concrete, individuele geval een beslissing over de toegekende punten.
De klachtencommissie besluit dat de toekenning van vijf punten een individuele beslissing van de directeur was. De klacht is ontvankelijk, zodat de klachtencommissie overgaat tot het onderzoek ten gronde.
De klachtencommissie meent dat niet voldoende aandacht werd besteed aan de motivering van de beslissing. Iedere gedetineerde krijgt hetzelfde puntenbriefje waar enkel het aantal punten naderhand wordt ingevuld. De motivering is bijgevolg niet geïndividualiseerd. In deze standaardmotivering wordt de doelstelling van het puntensysteem, namelijk een essentieel instrument vormt ter handhaving van de goede werking van het gedifferentieerd regime niet vermeld, noch verduidelijkt. In de standaardmotivering wordt tenslotte niet gemotiveerd waarom klager een gevaar zou vormen voor de goede werking van het gedifferentieerde regime.
De klachtencommissie besluit dat de motivering niet afdoende was, in die zin dat ze de gedetineerde niet in staat stelde om de beslissing en de motieven die tot de beslissing geleid hebben te begrijpen. De beslissing voldoet bijgevolg niet aan de vereiste zoals gesteld in artikel 8 van de basiswet.
De Basiswet bepaalt bovendien dat een gedetineerde tuchtrechtelijk niet gestraft mag worden voor andere inbreuken en met andere sancties dan die welke omschreven worden door deze wet. De directie bevestigde en herhaalde meermaals de onlosmakelijke verknochtheid tussen het puntensysteem en de tuchtprocedure. Zij is hierin steeds duidelijk geweest: “wie een tuchtinbreuk pleegt, wordt tuchtrechtelijk bestraft én krijgt punten toegekend.” Het opleggen van punten is echter geen tuchtsanctie voorzien in de Basiswet.
Daarnaast kan moeilijk worden volgehouden dat de toekenning van punten bijdraagt tot het stoppen of voorkomen van een eventuele ordeverstoring. Om deze redenen is het moeilijk om de toekenning van punten louter als ordemaatregel te beschouwen. De klachtencommissie is daarom van oordeel dat de toekenning van punten wel degelijk een tuchtsanctie is, die niet voorzien is in de Basiswet. Het oordeel van de klachtencommissie wordt bevestigd in het ambtshalve advies van de CTRG betreffende het huishoudelijk reglement (algemeen gedeelte) van de gevangenissen, goedgekeurd op 20.10.2022.17
Om deze redenen is de klacht gegrond.
De klacht betreft de tuchtbeslissing en het opleggen van vijf punten door de directie van de gevangenis.
Wat betreft de tuchtbeslissing:
In casu heeft een personeelslid een RAD opgemaakt om te melden dat er tumult was ontstaan op de sectie van vleugel D. Toen opsteller samen met twee collega’s zich ging vergewissen van de situatie, trof hij een gedetineerde aan die gekwetst was aan zijn oog en hals. De gedetineerde gaf onmiddellijk aan dat hij slagen had gekregen van klager. Toen klager hiermee werd geconfronteerd, gaf hij onmiddellijk toe dat hij de gedetineerde had geduwd in zijn cel.
De directeur oordeelt vervolgens over het bewezen zijn van de feiten en dus over de vraag of de voorgelegde gegevens, in casu het RAD, volstaan om de ten laste gelegde feiten voor bewezen te houden. De directie heeft daarbij een discretionaire beoordelingsbevoegdheid. Omdat de Basiswet geen bijzondere bewijswaardering in tuchtzaken bepaalt, mag de directeur niet alleen steunen op bekentenissen of vaststaande bewijzen, maar ook op getuigenissen, vermoedens, enz. Als algemeen principe geldt dat de directie slechts een tuchtsanctie kan opleggen op grond van feiten die op rechtmatige wijze bewezen zijn. Zij kan geen tuchtstraf opleggen die is gebaseerd op onbestaande, onjuiste of niet nauwkeurig vastgestelde feiten.
De klachtencommissie heeft kennis genomen van het RAD. De klachtencommissie meent dat dit rapport duidelijke vaststellingen bevat. Bovendien herhaalde klager tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting dat hij de gedetineerde enkel had geduwd. Zoals de directie ook in haar tuchtbeslissing en haar verweer heeft benadrukt en nog eens heeft verduidelijkt tijdens de zitting, valt duwen ook onder de tuchtrechtelijke inbreuk van de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit.
De klachtencommissie is bijgevolg van oordeel dat de directie in redelijkheid en billijkheid kon besluiten tot het bewezen zijn van de tuchtinbreuk.
De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van vijf dagen ATV. Voor een inbreuk van eerste categorie is de maximale sanctie dertig dagen waardoor de sanctie wettig is en zeker niet onredelijk of onbillijk. Om deze redenen is de klacht ongegrond.
Wat betreft het opleggen van vijf punten:
De directie blijft van oordeel dat het toekennen van punten het automatische gevolg is van het plegen van een bepaalde tuchtinbreuk – en dit op basis van de brochure basisregime– en dus geen voorafgaande individuele beoordeling van de gevangenisdirecteur veronderstelt. De toekenning van punten is volgens haar niet meer dan de loutere toepassing van de brochure basisregime.
De klachtencommissie is een andere mening toegedaan. De beslissing om een gedetineerde van het ene naar het andere regime over te plaatsen, is inherent een geïndividualiseerde beslissing die een welbepaalde gedetineerde (be)treft. Ook al giet de directie haar beslissingsbevoegdheid omtrent cel- en regimemutaties in algemene richtlijnen die automatisch uitwerking zouden vinden, in casu het puntensysteem, betekent dit niet dat de directie hierdoor het toezicht van de klachtencommissie ontloopt.
De toekenning van punten blijft bijgevolg onmiskenbaar een beslissing van de directie ten aanzien van een individuele gedetineerde, klager. Dit wordt bevestigd door de onlosmakelijke verknochtheid tussen het puntensysteem en de tuchtprocedure. De directie stelt immers dat “iedere gedetineerde die één van de tuchtrechtelijke inbreuken pleegt die worden weerhouden in het basisregime, punten krijgt toebedeeld.” Wanneer de directie dus een tuchtbeslissing neemt, in casu de tuchtbeslissing, neemt zij daardoor ook onmiddellijk in dat concrete, individuele geval een beslissing over de toegekende punten.
De klachtencommissie besluit dat de toekenning van vijf punten een individuele beslissing van de directeur was. De klacht is ontvankelijk, zodat de klachtencommissie overgaat tot het onderzoek ten gronde.
De klachtencommissie meent dat niet voldoende aandacht werd besteed aan de motivering van de beslissing. Iedere gedetineerde krijgt hetzelfde puntenbriefje waar enkel het aantal punten naderhand wordt ingevuld. De motivering is bijgevolg niet geïndividualiseerd. In deze standaardmotivering wordt de doelstelling van het puntensysteem, namelijk een essentieel instrument vormt ter handhaving van de goede werking van het gedifferentieerd regime niet vermeld, noch verduidelijkt. In de standaardmotivering wordt tenslotte niet gemotiveerd waarom klager een gevaar zou vormen voor de goede werking van het gedifferentieerde regime.
De klachtencommissie besluit dat de motivering niet afdoende was, in die zin dat ze de gedetineerde niet in staat stelde om de beslissing en de motieven die tot de beslissing geleid hebben te begrijpen. De beslissing voldoet bijgevolg niet aan de vereiste zoals gesteld in artikel 8 van de basiswet.
De Basiswet bepaalt bovendien dat een gedetineerde tuchtrechtelijk niet gestraft mag worden voor andere inbreuken en met andere sancties dan die welke omschreven worden door deze wet. De directie bevestigde en herhaalde meermaals de onlosmakelijke verknochtheid tussen het puntensysteem en de tuchtprocedure. Zij is hierin steeds duidelijk geweest: “wie een tuchtinbreuk pleegt, wordt tuchtrechtelijk bestraft én krijgt punten toegekend.” Het opleggen van punten is echter geen tuchtsanctie voorzien in de Basiswet.
Daarnaast kan moeilijk worden volgehouden dat de toekenning van punten bijdraagt tot het stoppen of voorkomen van een eventuele ordeverstoring. Om deze redenen is het moeilijk om de toekenning van punten louter als ordemaatregel te beschouwen. De klachtencommissie is daarom van oordeel dat de toekenning van punten wel degelijk een tuchtsanctie is, die niet voorzien is in de Basiswet. Het oordeel van de klachtencommissie wordt bevestigd in het ambtshalve advies van de CTRG betreffende het huishoudelijk reglement (algemeen gedeelte) van de gevangenissen, goedgekeurd op 20.10.2022.17
Om deze redenen is de klacht gegrond.