KC16/23-0216
Gegrond
Onontvankelijk
KC - Leuven Centraal
Klachtencommissie
Andere beslissing directeur
VERZUIM - INDIVIDUEEL DETENTIEPLAN - REKENINGEN - OPLEIDING
De klacht van klager is tweeledig. Samengevat heeft klager een klacht ingediend omdat er in strijd met de beslissing van de klachtencommissie (KC16/22-0042) nog geen individueel detentieplan werd opgesteld en omdat hij meent dat de bedragen die hij heeft ontvangen aan opleidingstoelagen, niet correct zijn.
De klachtencommissie heeft in een eerder dossier van klager de directie opgedragen om binnen een termijn van drie maanden de noodzakelijke initiatieven te nemen zodat een individueel detentieplan van klager kan worden opgenomen in een samenwerkingsprotocol (KC16/22-0042). Uit de huidige klacht van klager blijkt dat deze uitspraak van de klachtencommissie niet werd uitgevoerd. De klachtencommissie stelt vast dat de directie dit ook niet betwist. Ingevolge de hiervoor besproken bepalingen uit de Basiswet, is de directie wettelijk verplicht om de opmaak van een detentieplan op te starten en te finaliseren indien een gedetineerde hierom vraagt. Het verzaken aan deze wettelijke bevoegdheid is bijgevolg een schending van een in de gevangenis geldend wettelijk voorschrift. Hoewel de Basiswet bepaalt dat het detentieplan wordt opgesteld rekening houdende met de mogelijkheden van de gedetineerde en van de penitentiaire administratie, meent de klachtencommissie dat het bovendien onredelijk en onbillijk is dat er nog niet is gestart met het detentieplan van klager. Om deze redenen besluit de klachtencommissie dat de klacht gegrond is. De klachtencommissie draagt de directie op om de noodzakelijke initiatieven te nemen zodat het individueel detentieplan van klager binnen een termijn van zes maanden na de betekening van deze uitspraak, opgenomen is in een samenwerkingsprotocol, dat ondertekend is door klager en door de directeur.
Artikel 76 van de Basiswet voorziet de mogelijkheid voor gedetineerden om tijdens detentie vormingsactiviteiten te volgen, waaronder wordt begrepen onderwijs. Onder bepaalde voorwaarden wordt de tijd besteed aan deze vormingsactiviteiten, gelijkgesteld met arbeidstijd en dus ook vergoed, dit door middel van een opleidingstoelage. De klachtencommissie is door eerdere klachten van klager op de hoogte dat klager via e-learning een universitaire studie volgt. De klachtencommissie stelt op basis van de dossierstukken overigens vast dat klager reeds opleidingstoelagen heeft ontvangen zodat er geen betwisting bestaat over het feit dat de regionale directie de opleiding van klager aanvaard heeft als vormingstijd en klager aldus gerechtigd is op de ontvangst van opleidingstoelagen. In casu situeert het probleem zich echter op het vlak van het doorstorten van en de aanvraag voor de toelagen. Samengevat klaagt klager aan dat
- Voor academiejaar 2019-2020 hij zijn opleidingstoelage, toegekend door de regionale directie, niet volledig heeft ontvangen. Bij gebreke aan een stuk dat anders doet besluiten, is de klachtencommissie van oordeel dat de weigering van de directie om aan klager een duidelijke en gefundeerde verklaring te geven waarom er een toegekend bedrag van 651,25 euro niet werd uitbetaald aan hem, onredelijk en onbillijk is. De klacht is gegrond.
- Voor academiejaren 2020-2021 en 2021-2022 de aanvragen niet correct werden ingediend waardoor de opleidingstoelagen werden berekend en uitbetaald op basis van verkeerde gegevens met als gevolg dat klager meent dat hij minder heeft gekregen dan waar hij recht op heeft. De klachtencommissie is van oordeel dat het feit dat de directie, desondanks zijn herhaaldelijke vraag hiertoe, heeft geweigerd om de correcte aanvragen opnieuw in te dienen of minstens de redenen mee te delen aan klager waarom zij dit niet wil doen, een verzuim uitmaakt. De klachtencommissie meent te besluiten dat niets belet dat de directie, naar aanleiding van de vragen van klager, in gesprek ging met de Vlaamse Gemeenschap en dat zij alsnog een bijgestelde aanvraag indiende bij de CDRGA. Dat de directie dit zonder enige motivering, weigert om te doen, acht de klachtencommissie onredelijk en onbillijk. De klacht is gegrond.
- Het bedrag van de opleidingstoelagen geïndexeerd moet worden waardoor hij meent dat hij nog geld tegoed heeft alsook dat zijn opleidingen die hij heeft gevolgd in academiejaren 2017-2018 en 2018-2019 vergoed moeten worden onder het stelsel van de aanmoedigingspremies (Ministeriële Omzendbrief nr. 1773 van 21 februari 2005). De klachtencommissie is van oordeel dat dit onderdeel van de klacht niet-ontvankelijk is aangezien uit het dossier niet blijkt dat klager deze vraag al heeft gesteld aan de directie zodat er ook geen sprake kan zijn van een verzuim van de directie.
De klacht van klager is tweeledig. Samengevat heeft klager een klacht ingediend omdat er in strijd met de beslissing van de klachtencommissie (KC16/22-0042) nog geen individueel detentieplan werd opgesteld en omdat hij meent dat de bedragen die hij heeft ontvangen aan opleidingstoelagen, niet correct zijn.
De klachtencommissie heeft in een eerder dossier van klager de directie opgedragen om binnen een termijn van drie maanden de noodzakelijke initiatieven te nemen zodat een individueel detentieplan van klager kan worden opgenomen in een samenwerkingsprotocol (KC16/22-0042). Uit de huidige klacht van klager blijkt dat deze uitspraak van de klachtencommissie niet werd uitgevoerd. De klachtencommissie stelt vast dat de directie dit ook niet betwist. Ingevolge de hiervoor besproken bepalingen uit de Basiswet, is de directie wettelijk verplicht om de opmaak van een detentieplan op te starten en te finaliseren indien een gedetineerde hierom vraagt. Het verzaken aan deze wettelijke bevoegdheid is bijgevolg een schending van een in de gevangenis geldend wettelijk voorschrift. Hoewel de Basiswet bepaalt dat het detentieplan wordt opgesteld rekening houdende met de mogelijkheden van de gedetineerde en van de penitentiaire administratie, meent de klachtencommissie dat het bovendien onredelijk en onbillijk is dat er nog niet is gestart met het detentieplan van klager. Om deze redenen besluit de klachtencommissie dat de klacht gegrond is. De klachtencommissie draagt de directie op om de noodzakelijke initiatieven te nemen zodat het individueel detentieplan van klager binnen een termijn van zes maanden na de betekening van deze uitspraak, opgenomen is in een samenwerkingsprotocol, dat ondertekend is door klager en door de directeur.
Artikel 76 van de Basiswet voorziet de mogelijkheid voor gedetineerden om tijdens detentie vormingsactiviteiten te volgen, waaronder wordt begrepen onderwijs. Onder bepaalde voorwaarden wordt de tijd besteed aan deze vormingsactiviteiten, gelijkgesteld met arbeidstijd en dus ook vergoed, dit door middel van een opleidingstoelage. De klachtencommissie is door eerdere klachten van klager op de hoogte dat klager via e-learning een universitaire studie volgt. De klachtencommissie stelt op basis van de dossierstukken overigens vast dat klager reeds opleidingstoelagen heeft ontvangen zodat er geen betwisting bestaat over het feit dat de regionale directie de opleiding van klager aanvaard heeft als vormingstijd en klager aldus gerechtigd is op de ontvangst van opleidingstoelagen. In casu situeert het probleem zich echter op het vlak van het doorstorten van en de aanvraag voor de toelagen. Samengevat klaagt klager aan dat
- Voor academiejaar 2019-2020 hij zijn opleidingstoelage, toegekend door de regionale directie, niet volledig heeft ontvangen. Bij gebreke aan een stuk dat anders doet besluiten, is de klachtencommissie van oordeel dat de weigering van de directie om aan klager een duidelijke en gefundeerde verklaring te geven waarom er een toegekend bedrag van 651,25 euro niet werd uitbetaald aan hem, onredelijk en onbillijk is. De klacht is gegrond.
- Voor academiejaren 2020-2021 en 2021-2022 de aanvragen niet correct werden ingediend waardoor de opleidingstoelagen werden berekend en uitbetaald op basis van verkeerde gegevens met als gevolg dat klager meent dat hij minder heeft gekregen dan waar hij recht op heeft. De klachtencommissie is van oordeel dat het feit dat de directie, desondanks zijn herhaaldelijke vraag hiertoe, heeft geweigerd om de correcte aanvragen opnieuw in te dienen of minstens de redenen mee te delen aan klager waarom zij dit niet wil doen, een verzuim uitmaakt. De klachtencommissie meent te besluiten dat niets belet dat de directie, naar aanleiding van de vragen van klager, in gesprek ging met de Vlaamse Gemeenschap en dat zij alsnog een bijgestelde aanvraag indiende bij de CDRGA. Dat de directie dit zonder enige motivering, weigert om te doen, acht de klachtencommissie onredelijk en onbillijk. De klacht is gegrond.
- Het bedrag van de opleidingstoelagen geïndexeerd moet worden waardoor hij meent dat hij nog geld tegoed heeft alsook dat zijn opleidingen die hij heeft gevolgd in academiejaren 2017-2018 en 2018-2019 vergoed moeten worden onder het stelsel van de aanmoedigingspremies (Ministeriële Omzendbrief nr. 1773 van 21 februari 2005). De klachtencommissie is van oordeel dat dit onderdeel van de klacht niet-ontvankelijk is aangezien uit het dossier niet blijkt dat klager deze vraag al heeft gesteld aan de directie zodat er ook geen sprake kan zijn van een verzuim van de directie.