Ga verder naar de inhoud

KC16/24-0088

Gegrond KC - Leuven Centraal Klachtencommissie Tucht
TUCHT - MOTIVERING

De klacht is gericht tegen de tuchtbeslissing van 20.03.2024 opgelegd door de directie van de gevangenis van Leuven-Centraal.

De klachtencommissie heeft kennisgenomen van het tuchtdossier. Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens:
- Het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden en
- het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel, allebei tuchtinbreuken van tweede categorie,

naar aanleiding van feiten die werden meegedeeld in het rapport aan de directeur (RAD) van 18.03.2024. Uit het RAD van 18.03.2024 blijkt dat klager de opsteller zou hebben verweten omdat de beambte schoonmaakproducten uit de cel van klager in beslag had genomen. Klager zou de beambte dom hebben genoemd. De directie nam op 19.03.2024 kennis van het RAD en besliste om een tuchtprocedure op te starten. Klager werd op 20.03.2024, met bijstand van een advocaat, gehoord door de directie. Op basis van het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting, stelt de klachtencommissie vast dat klager ontkende de beambte te hebben beledigd.

De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van twee dagen ATV. Voor een tuchtinbreuk van tweede categorie kan dit maximaal gedurende vijftien dagen opgelegd worden. De tuchtsanctie was bijgevolg wettig. De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie niet onredelijk of onbillijk was.

In de tuchtbeslissing werd ook de tuchtinbreuk van het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel aangekruist. De klachtencommissie stelt echter vast dat in de motivering van de tuchtbeslissing niet werd vermeld welk bevel klager niet zou hebben opgevolgd. De klachtencommissie is van oordeel dat dit ook niet blijkt uit het RAD. Een gedetineerde moet nochtans kunnen begrijpen welke motieven de keuze en de maat van de sanctie hebben bepaald.
Om deze redenen is de klacht kennelijk gedeeltelijk gegrond.