KC16/24-0185
Gegrond
KC - Leuven Centraal
Klachtencommissie
Andere beslissing directeur
BRIEFWISSELING
De klacht gaat over postzegels die in bewaring genomen werden.
Klager diende op 21.07.2024 zijn klacht in. De klachtencommissie stelt aan de hand van het ontvangstbewijs in bewaring gegeven/genomen goederen vast dat op 20.07.2024 verschillende, gebruikte, afgestempelde postzegels van klager in bewaring werden genomen alsook op 21.07.2024 één nieuw postzegelinsteekboek van klager. Op 31.08.2024 werden nogmaals verschillende gebruikte postzegels van klager in bewaring genomen. Op basis van de verklaringen van partijen en het verslag van het rapport bij de directie op 17.07.2024, blijkt dat deze deponeringen het gevolg zijn van de beslissing van de directie om “in afwachting van een overleg hierover, de postzegels niet toe te staan.”
Samengevat besliste de directie op 17.07.2024 om de postzegels die opgestuurd worden aan klager, niet aan hem te laten overhandigen en dus in bewaring te nemen omdat “niet- afgestempelde exemplaren niet zijn toegestaan. Het moet haalbaar blijven om dit te controleren.” Uit de verklaringen ter zitting blijkt dat klager zijn postzegelverzameling wil opbouwen door postzegels per post te ontvangen.
Op basis van bestaande bepalingen, concludeert de klachtencommissie dat de binnenkomende post voor klager, gecontroleerd mag worden op de aanwezigheid van aan de briefwisseling vreemde voorwerpen of substanties. De klachtencommissie meent dat postzegels voorwerpen zijn die vreemd zijn aan briefwisseling. De directie mag vervolgens beslissen om de opgestuurde postzegels niet te bezorgen aan klager en in bewaring te nemen, op voorwaarde dat de directie schriftelijk aan klager meedeelt waarom zij van oordeel is dat dit volstrekt noodzakelijk is in het kader van de handhaving van de orde of de veiligheid. De klachtencommissie besluit dat klager geen schriftelijk gemotiveerde beslissing heeft ontvangen van de directie hoewel dit vereist wordt door artikel 55, §3 van de Basiswet. De beslissing van de directie om de postzegels bestemd voor klager niet aan hem te bezorgen en in bewaring te nemen, is onwettig. Om deze reden is de klacht gegrond.
In toepassing van artikel 158, §3, 1° van de Basiswet, draagt de klachtencommissie de directeur op om binnen een termijn van twee maanden na de betekening van deze uitspraak, een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van haar uitspraak.
De klacht gaat over postzegels die in bewaring genomen werden.
Klager diende op 21.07.2024 zijn klacht in. De klachtencommissie stelt aan de hand van het ontvangstbewijs in bewaring gegeven/genomen goederen vast dat op 20.07.2024 verschillende, gebruikte, afgestempelde postzegels van klager in bewaring werden genomen alsook op 21.07.2024 één nieuw postzegelinsteekboek van klager. Op 31.08.2024 werden nogmaals verschillende gebruikte postzegels van klager in bewaring genomen. Op basis van de verklaringen van partijen en het verslag van het rapport bij de directie op 17.07.2024, blijkt dat deze deponeringen het gevolg zijn van de beslissing van de directie om “in afwachting van een overleg hierover, de postzegels niet toe te staan.”
Samengevat besliste de directie op 17.07.2024 om de postzegels die opgestuurd worden aan klager, niet aan hem te laten overhandigen en dus in bewaring te nemen omdat “niet- afgestempelde exemplaren niet zijn toegestaan. Het moet haalbaar blijven om dit te controleren.” Uit de verklaringen ter zitting blijkt dat klager zijn postzegelverzameling wil opbouwen door postzegels per post te ontvangen.
Op basis van bestaande bepalingen, concludeert de klachtencommissie dat de binnenkomende post voor klager, gecontroleerd mag worden op de aanwezigheid van aan de briefwisseling vreemde voorwerpen of substanties. De klachtencommissie meent dat postzegels voorwerpen zijn die vreemd zijn aan briefwisseling. De directie mag vervolgens beslissen om de opgestuurde postzegels niet te bezorgen aan klager en in bewaring te nemen, op voorwaarde dat de directie schriftelijk aan klager meedeelt waarom zij van oordeel is dat dit volstrekt noodzakelijk is in het kader van de handhaving van de orde of de veiligheid. De klachtencommissie besluit dat klager geen schriftelijk gemotiveerde beslissing heeft ontvangen van de directie hoewel dit vereist wordt door artikel 55, §3 van de Basiswet. De beslissing van de directie om de postzegels bestemd voor klager niet aan hem te bezorgen en in bewaring te nemen, is onwettig. Om deze reden is de klacht gegrond.
In toepassing van artikel 158, §3, 1° van de Basiswet, draagt de klachtencommissie de directeur op om binnen een termijn van twee maanden na de betekening van deze uitspraak, een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van haar uitspraak.