Ga verder naar de inhoud

KC16/24-0309

Ongegrond Gegrond Onontvankelijk KC - Leuven Centraal Klachtencommissie Andere beslissing directeur Geen beslissing directeur Fouille op het lichaam
FOUILLE LICHAAM - GEEN BESLISSING DIRECTEUR - RELIGIE - KLEDIJ

Klager, via diens raadsman, dient een klacht in tegen een ‘andere’ beslissing. De directeur heeft mondeling beslist dat klager zijn gebedskleed (djellaba) niet meer mag dragen. Dit verbod is volgens klager niet gesteund op een reglementaire basis, aangezien het interne gevangenisreglement nergens vermeldt dat religieuze kleding verboden is. Integendeel, het reglement biedt ruimte voor het dragen van vrijetijdskledij, inclusief religieuze symbolen, zolang deze geen verstoring veroorzaken binnen de gevangenisomgeving. Klager benadrukt bovendien dat er volgens hem niet zoiets bestaat als ‘gebedskledij’. Alles kan als gebedskledij worden gezien, afhankelijk van de intentie van de persoon die het draagt. Het ‘gewaad’ dat hij droeg, had volgens hem geen religieuze betekenis. Hij draagt dit louter als vrijetijdskledij. De directie daarentegen beschouwt het als een verstoring van de orde. Binnen het huishoudelijke reglement staat gespecificeerd welke burgerkledij gedetineerden mogen bezitten op cel en aan welke voorwaarden het dragen van eigen kledij en schoeisel is onderworpen. Een Djellaba of gebedskleed is hier niet in opgenomen en is (was) derhalve niet toegestaan in het cellulair. De klachtencommissie moet zich buigen over de vraag of er sprake is van een schending van klagers recht op levensbeschouwing. De directie meent in haar verweer dat het HHR specifieert welke burgerkledij gedetineerden mogen bezitten op cel. Een gebedskleed was niet opgenomen in voormelde lijst en was derhalve niet toegestaan in het cellulair. Met de “dienstnota – Cellulair_bezit en dragen van een djellaba in het cellulair” van 02/01/2025 werd dit wel mogelijk. De directie meldt dat de dienstnota meegedeeld werd aan de gedetineerden. De klacht dateert echter van 27/12/2024. Op dat moment was de dienstnota nog niet van toepassing. Ten tweede moet de klachtencommissie toetsen aan de voorwaarden om het recht op religie te beperken. De klachtencommissie stelt vast het verbieden van bepaalde kledij binnen de bevoegdheid van de directie valt. Daarnaast dient het verbod tot het dragen van een djellaba een legitiem doel, namelijk het handhaven van de orde en veiligheid binnen de gevangenis. Bepaalde losse, lange kledingstukken kunnen immers een risico vormen doordat het mogelijk is om er voorwerpen onder te verbergen. Daarnaast kan het dragen van dergelijke kledij aanstootgevend zijn en reacties van anderen uitlokken, wat eveneens een risico voor de orde en veiligheid binnen de gevangenis kan vormen. De klachtencommissie acht deze maatregel ook niet disproportioneel gezien hij gericht is op het voorkomen van de verstoring van de orde en veiligheid. Om die redenen is dit deel van de klacht ongegrond.

De directeur heeft daarnaast een naaktfouille bevolen, naar verluidt op grond van "radicaal geloof." Klager volgt echter enkel zijn geloofsrituelen in overeenstemming met de regels van de instelling. Er is geen bewijs geleverd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan enige vorm van radicalisering, noch is er een duidelijke link aangetoond tussen hem en de vermeende invloed van een andere gedetineerde (…). Deze beschuldigingen zijn ongefundeerd en leiden tot stigmatisering, discriminatie en vernederende behandeling. De klachtencommissie is echter van oordeel dat de motivering van de beslissing geen concrete, individuele en actuele elementen aanhaalt waarom men het vermoeden had dat klager de orde en de veiligheid zou verstoren. Er is sprake van “recente informatie” maar deze aanwijzingen en informatie worden niet geconcretiseerd. De klachtencommissie herhaalt nochtans het ingrijpende karakter van een onderzoek aan het lichaam. De fouillering op het lichaam laat immers toe de gedetineerde te verplichten om zich uit te kleden tot op het lichaam en de openingen en de holten van het lichaam uitwendig te schouwen. Gelet op de invasieve aard van de maatregel, was het de bedoeling van de wetgever om grenzen te stellen aan de vage praktijk van naaktfouilles die verder ging dan eigenlijk toelaatbaar was. De klachtencommissie is van oordeel dat de beslissing tot het opleggen van een fouillering op het lichaam van 26/12/2024 niet voldeed aan de voorwaarden uit de Basiswet. De klacht is gegrond. De klachtencommissie vernietigt de beslissing tot het opleggen van een naaktfouille van 26/12/2024.

Daarnaast is klager in verband gebracht met mogelijke radicalisering, waarbij er zelfs een melding ‘aan Brussel’ zou zijn gemaakt. Klager stelt echter dat hier geen objectieve aanwijzingen voor zijn. Volgens hem heeft het personeel hem tegen een medegedetineerde horen zeggen dat hij ‘een plan’ heeft, waaruit vervolgens is afgeleid dat dit verband zou hebben met radicalisering. Klager zegt dat hetgeen hij gezegd heeft volledig uit de context is getrokken en de directie hier een eigen invulling aan heeft gegeven. Klager en zijn advocaat betwisten deze redenering en vragen zich af op welke concrete basis deze conclusies zijn getrokken. De klacht is naar het oordeel van de klachtencommissie gericht tegen het feit dat de directie meent dat klager de laatste tijd een radicalere gedachtegang heeft. Dit is echter louter een observatie van een directielid. De klacht is dan ook niet gericht tegen een beslissing die door of namens de directeur ten aanzien van klager werd genomen, noch tegen een verzuim of weigering om een beslissing te nemen. De klacht tegen de beschuldigingen van radicalisering is derhalve niet-ontvankelijk.