Ga verder naar de inhoud

KC16/25-0051

Ongegrond Onontvankelijk KC - Leuven Centraal Klachtencommissie Tucht
De klacht is gericht tegen tuchtbeslissingen genomen door de directie van de gevangenis van Leuven-Centraal.

Met betrekking tot de eerste tuchtbeslissing: Klager werd op 06/02/2025 tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel, een tuchtinbreuk van de tweede categorie. Gelet op de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de directeur, is de klachtencommissie enkel bevoegd om na te gaan of de feitenvinding zorgvuldig gebeurde, of er werd uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens en of de appreciatiebevoegdheid op een zorgvuldige wijze werd uitgeoefend. In eerste instantie meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk werd opgesteld.
Bovendien werd het RAD ondertekend door een getuige. De klachtencommissie is ook van oordeel dat klager geen overtuigende elementen heeft aangevoerd waaruit de klachtencommissie kan afleiden dat het rapport geen correcte weergave zou zijn van de feiten. De klachtencommissie stelt tenslotte vast dat de directie in de motivering van haar beslissing ook verwijst naar gelijkaardige feiten op 13/12/2024, waarbij klager eveneens weigerde het medisch kabinet te verlaten. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager. De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van zeven dagen ATV (07/02/2025-13/02/2025). Voor een tuchtinbreuk van tweede categorie is de wettelijk toegestane maximumsanctie vijftien dagen ATV. De tuchtsanctie was dus wettig. De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was gelet op het feit dat klager in het verleden al werd gewaarschuwd voor soortgelijk gedrag. Om die redenen is de klacht kennelijk ongegrond.

Met betrekking tot de tweede tuchtbeslissing: Klager werd op 10/02/2025 tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens:
- De opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen, of de bedreiging daarmee
- De opzettelijke aantasting van de orde
In eerste instantie meent de klachtencommissie dat de RAD’s en de observatienota duidelijk werden opgesteld. Bovendien werden de vier RAD’s ondertekend door twee getuigen. Aangezien klager weigerde gehoord te worden op de hoorzitting, baseert de directie zich in de beslissing tot het opleggen van een tuchtsanctie op de dossierstukken. Wat de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit betreft, stelt de klachtencommissie vast dat klager zich agressief opstelt ten aanzien van het personeel door meermaals zijn vuist op het winket te slaan wanneer hem geen hulp wordt geboden. Daarnaast blijkt uit de RAD’s dat klager, telkens wanneer er zich PBA’s naar zijn cel begeven wanneer hij zijn oproepingslampje laat branden, hij hen begint uit te schelden. Wat de opzettelijke aantasting van de orde betreft, stelt de klachtencommissie vast dat klager door zijn geroep de orde op de vleugel verstoort. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager. De directeur legde een voorwaardelijke algemene tuchtsanctie op in de vorm van tien dagen ATV voor een duur van 3 maanden. Voor een tuchtinbreuk van de tweede categorie is de wettelijk toegestane maximumsanctie vijftien dagen ATV. De klachtencommissie stelt aan de hand van het tuchtregister van klager vast dat klager deze inbreuk heeft begaan tijdens een lopende ATV-sanctie van 7 dagen (07/02/2025-13/02/2025). Hoewel de klachtencommissie begrip kan opbrengen voor de situatie en pijn van klager, wil zij toch benadrukken dat dergelijk gedrag geen oplossing biedt. De klachtencommissie is dan ook van oordeel dat de sanctie niet onredelijk of onbillijk was gelet op het voorwaardelijk karakter. Op die manier geeft de directie klager de kans om zich te herpakken. Om die redenen is de klacht kennelijk ongegrond. De voorwaardelijke tuchtbeslissing van 10/02/2025 blijft bestaan.