TUCHT
De klacht betreft een tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Leuven Centraal.
Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee, een tuchtinbreuk van de eerste categorie. Gelet op de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de directeur, is de klachtencommissie enkel bevoegd om na te gaan of de feitenvinding zorgvuldig gebeurde, of er werd uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens en of de appreciatiebevoegdheid op een zorgvuldige wijze werd uitgeoefend. In eerste instantie meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk werd opgesteld. Bovendien werd het RAD ondertekend door een getuige. De klachtencommissie is ook van oordeel dat klager geen overtuigende elementen heeft aangevoerd waaruit de klachtencommissie kan afleiden dat het rapport geen correcte weergave zou zijn van de feiten. Klager haalt tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting aan dat medegedetineerde X hem eerst zou hebben aangevallen en niet omgekeerd. Ongeacht of klager dan wel de medegedetineerde als eerste de situatie ‘uitlokte’, kan de klachtencommissie enkel vaststellen dat er ernstige verwondingen werden toegediend aan medegedetineerde X, hetgeen erop wijst dat er in ieder geval fysiek geweld is gebruikt. De klachtencommissie begrijpt dan ook dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager.
De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van 25 dagen ATV (05/04/2025-30/04/2025). Voor een tuchtinbreuk van de eerste categorie is de wettelijk toegestane maximumsanctie vijftien dagen ATV. Daarnaast werd de duur van de voorlopige maatregel in mindering gebracht van de duur van de tuchtsanctie. De tuchtsanctie was dus wettig. De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was gelet op de ernst van de feiten en de verwondingen van de medegedetineerde. Om deze redenen is de klacht kennelijk niet gegrond.
De klacht betreft een tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Leuven Centraal.
Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee, een tuchtinbreuk van de eerste categorie. Gelet op de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de directeur, is de klachtencommissie enkel bevoegd om na te gaan of de feitenvinding zorgvuldig gebeurde, of er werd uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens en of de appreciatiebevoegdheid op een zorgvuldige wijze werd uitgeoefend. In eerste instantie meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk werd opgesteld. Bovendien werd het RAD ondertekend door een getuige. De klachtencommissie is ook van oordeel dat klager geen overtuigende elementen heeft aangevoerd waaruit de klachtencommissie kan afleiden dat het rapport geen correcte weergave zou zijn van de feiten. Klager haalt tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting aan dat medegedetineerde X hem eerst zou hebben aangevallen en niet omgekeerd. Ongeacht of klager dan wel de medegedetineerde als eerste de situatie ‘uitlokte’, kan de klachtencommissie enkel vaststellen dat er ernstige verwondingen werden toegediend aan medegedetineerde X, hetgeen erop wijst dat er in ieder geval fysiek geweld is gebruikt. De klachtencommissie begrijpt dan ook dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager.
De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van 25 dagen ATV (05/04/2025-30/04/2025). Voor een tuchtinbreuk van de eerste categorie is de wettelijk toegestane maximumsanctie vijftien dagen ATV. Daarnaast werd de duur van de voorlopige maatregel in mindering gebracht van de duur van de tuchtsanctie. De tuchtsanctie was dus wettig. De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was gelet op de ernst van de feiten en de verwondingen van de medegedetineerde. Om deze redenen is de klacht kennelijk niet gegrond.