Ga verder naar de inhoud

KC16/25-0229

Ongegrond Gegrond KC - Leuven Centraal Klachtencommissie Voorlopige maatregel Tucht
VOORLOPIGE MAATREGEL - TEGEMOETKOMING - TUCHT

De klachten betreffen een voorlopige maatregel en een tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Leuven Centraal.

Over de voorlopige maatregel: de klachtencommissie stelt vast dat de beslissing tot het opleggen van de voorlopige maatregel door een personeelslid ‘voor de directeur/afwezig tijdens de handtekening’ en niet door een directielid zelf ondertekend werd. In de Collectieve Brief nr. 124 van 6 september 2013 (p. 14) wordt bepaald dat, wanneer de situatie van gevaar geen enkel uitstel duldt, ook andere personeelsleden deze beslissing kunnen nemen, mits onmiddellijke kennisgeving ervan aan de directeur, die dan een beslissing neemt.

Uit een beslissing van de beroepscommissie blijkt echter dat een dergelijke delegatie aan ander personeel in de Basiswet enkel bij bijzondere veiligheidsmaatregelen en niet in het kader van tucht wordt voorzien. Volgens de beroepscommissie zou DG EPI haar instructies, dus ook bovenstaande bepaling van de Collectieve Brief, daardoor moeten aanpassen. Door in een dergelijke delegatie te voorzien, gaat de Collectieve Brief nr. 124 verder dan hetgeen op heden in de Basiswet wordt bepaald. Zodoende is het enkel de directeur, zonder uitzondering, die een voorlopige maatregel in het kader van een tuchtprocedure kan opleggen.

Uit het document van de voorlopige maatregel blijkt dat het niet de directie was die de beslissing ondertekende. Los van de vraag of de directie de inschatting kon maken of in deze zaak überhaupt sprake was van een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid die een voorlopige maatregel ten aanzien van klager rechtvaardigde, blijkt uit de beschikbare stukken dat de voorlopige maatregel niet werd bevolen door de directie, maar door een ander personeelslid. De voorlopige maatregel werd dus niet opgelegd volgens de vereisten van artikel 145 van de Basiswet. Om deze redenen is de klacht gegrond.

Aangezien de gevolgen van de vernietigde beslissing niet meer ongedaan kunnen worden gemaakt, kent de klachtencommissie aan klager de volgende tegemoetkoming toe: 1 flesje baardolie uit het kantine-aanbod.

Over de tuchtbeslissing: de directie heeft een tuchtsanctie van 7 dagen ATV voor de inbreuk van de eerste categorie “de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee” opgelegd.

De klachtencommissie ziet geen reden waarom de directie zich bij het nemen van de bestreden beslissing niet had mogen steunen op de RAD’s. De directie kon de feiten, zoals die duidelijk en uitdrukkelijk in de RAD’s werden beschreven, voor waar en als voldoende aannemen. De directie kon dan ook binnen de grenzen van de redelijkheid oordelen dat de feiten die aan klager werden ten laste gelegd, bewezen waren.

De klachtencommissie acht het niet onredelijk dat de feiten beschreven in de RAD’s als voormelde inbreuk werden gekwalificeerd. De klachtencommissie acht voormelde kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.

De klachtencommissie stelt vast dat de tuchtprocedure door de directie correct gevolgd werd. De feiten vormen tuchtrechtelijke inbreuken van de eerste categorie , die kunnen worden gestraft met een maximum van 30 dagen ATV . De klachtencommissie stelt vast dat de directie rekening heeft gehouden met de voorlopige maatregel, de omvang van de feiten en geen onredelijk zware straf van 7 dagen ATV heeft opgelegd. De klacht is bijgevolg ongegrond.