KC16/25-0249
Gegrond
KC - Leuven Centraal
Klachtencommissie
Andere beslissing directeur
KLACHTENPROCEDURE - UITVOERING - GEEN BESLISSING DIRECTEUR
Over het uitvoeren van de beslissing (dossier KC16/25-0076): de directie diende n.a.v. de beslissing van de klachtencommissie een nieuwe beslissing te nemen over het al dan niet mogen bezitten van de badjas en de washandjes, en dit binnen een termijn van twee weken na de betekening van de beslissing aan de directie. In haar schriftelijk verweer schrijft klager dat de badjas en de washandjes terug aan klager werd afgegeven.
Op de zitting van de klachtencommissie heeft klager meegedeeld dat hij zijn badjas en washandjes op 05/10/2025 heeft ontvangen. De beslissing werd echter reeds op 30/05/2025 aan de directie betekend. De klachtencommissie meent dan ook dat de klacht wel degelijk gegrond is: de directeur heeft niet tijdig voldaan aan (het begin van) uitvoering van de beslissing van de klachtencommissie.
Over de passieve openbaarheid van bestuur: de directie schrijft in haar verweer dat de klacht van klager gegrond is. De klacht is bijgevolg dan ook gegrond. Klager heeft niet om een tegemoetkoming verzocht.
Over het ontbreken van een antwoord op de rapportbriefjes van klager: klager heeft op 29/08/2025 een rapportbriefje verstuurd en op 04/09/2025 nog geen antwoord ontvangen. Dit is volgens de klachtencommissie geen verzuim om binnen een redelijke termijn te antwoorden. Daarenboven heeft de directie het rapportbriefje van klager in september beantwoord.
Hieruit blijkt voor de klachtencommissie voldoende duidelijk dat klager zich wel degelijk kon en kan wenden tot de directie met betrekking tot klachten in aangelegenheden die hemzelf betreffen. De klachtencommissie is er niet van overtuigd dat in dit dossier sprake was van een beklagwaardig verzuim van de directie. Er kon volgens de klachtencommissie op het ogenblik van indiening van de klacht dan ook niet besloten worden tot een verzuim in de zin van artikel 148, tweede lid Basiswet. De klacht is bijgevolg niet-ontvankelijk.
Over het uitvoeren van een beslissing (dossier KC16/25-0170): de klachtencommissie stelt dat de directie de nodige maatregelen heeft genomen. Op de zitting van de klachtencommissie heeft klager bevestigd dat de gedeeltelijk betaalde schadevergoeding de 50,00 euro op heden niet overschrijdt. De klachtencommissie is derhalve niet van oordeel dat de directie verzuimd heeft om de beslissing van de klachtencommissie binnen een redelijke termijn uit te voeren. Gelet op de beschikbare informatie en de door de directie ondernomen stappen, acht de klachtencommissie deze klacht ongegrond.
Over het uitvoeren van de beslissing (dossier KC16/25-0076): de directie diende n.a.v. de beslissing van de klachtencommissie een nieuwe beslissing te nemen over het al dan niet mogen bezitten van de badjas en de washandjes, en dit binnen een termijn van twee weken na de betekening van de beslissing aan de directie. In haar schriftelijk verweer schrijft klager dat de badjas en de washandjes terug aan klager werd afgegeven.
Op de zitting van de klachtencommissie heeft klager meegedeeld dat hij zijn badjas en washandjes op 05/10/2025 heeft ontvangen. De beslissing werd echter reeds op 30/05/2025 aan de directie betekend. De klachtencommissie meent dan ook dat de klacht wel degelijk gegrond is: de directeur heeft niet tijdig voldaan aan (het begin van) uitvoering van de beslissing van de klachtencommissie.
Over de passieve openbaarheid van bestuur: de directie schrijft in haar verweer dat de klacht van klager gegrond is. De klacht is bijgevolg dan ook gegrond. Klager heeft niet om een tegemoetkoming verzocht.
Over het ontbreken van een antwoord op de rapportbriefjes van klager: klager heeft op 29/08/2025 een rapportbriefje verstuurd en op 04/09/2025 nog geen antwoord ontvangen. Dit is volgens de klachtencommissie geen verzuim om binnen een redelijke termijn te antwoorden. Daarenboven heeft de directie het rapportbriefje van klager in september beantwoord.
Hieruit blijkt voor de klachtencommissie voldoende duidelijk dat klager zich wel degelijk kon en kan wenden tot de directie met betrekking tot klachten in aangelegenheden die hemzelf betreffen. De klachtencommissie is er niet van overtuigd dat in dit dossier sprake was van een beklagwaardig verzuim van de directie. Er kon volgens de klachtencommissie op het ogenblik van indiening van de klacht dan ook niet besloten worden tot een verzuim in de zin van artikel 148, tweede lid Basiswet. De klacht is bijgevolg niet-ontvankelijk.
Over het uitvoeren van een beslissing (dossier KC16/25-0170): de klachtencommissie stelt dat de directie de nodige maatregelen heeft genomen. Op de zitting van de klachtencommissie heeft klager bevestigd dat de gedeeltelijk betaalde schadevergoeding de 50,00 euro op heden niet overschrijdt. De klachtencommissie is derhalve niet van oordeel dat de directie verzuimd heeft om de beslissing van de klachtencommissie binnen een redelijke termijn uit te voeren. Gelet op de beschikbare informatie en de door de directie ondernomen stappen, acht de klachtencommissie deze klacht ongegrond.
Er werd een beroepsdossier met referentie BC/25-0352 opgestart