KC16/25-0256
Ongegrond
Gegrond
KC - Leuven Centraal
Klachtencommissie
Andere beslissing directeur
Voorlopige maatregel
Fouille op het lichaam
FOUILLE LICHAAM - VOORLOPIGE MAATREGEL - VERBODEN SUBSTANTIES - BIJZONDERE BEWAKING
Klager en zijn advocaat zijn in eerste instantie van oordeel dat de beambte op eigen initiatief een naaktfouille heeft uitgevoerd bij klager zonder dat daarvoor een opdracht werd gegeven door de directie. De klachtencommissie stelt nochtans vast dat zowel uit het RAD, als uit de beslissing tot het opleggen van de naaktfouille als uit het verweer van de directie blijkt dat de directie voorafgaandelijk de beslissing heeft genomen om klager te onderwerpen aan een naaktfouille, weliswaar mondeling en dat deze beslissing slechts de dag nadien schriftelijk werd uitgewerkt. Deze werkwijze is niet in strijd met de Basiswet aangezien de Basiswet enkel vereist dat de directeur zijn beslissing schriftelijk bezorgt aan de gedetineerde uiterlijk vierentwintig uur nadat de fouillering heeft plaatsgevonden. De klachtencommissie besluit dat de naaktfouille een beslissing van de directeur was. Het feit dat klager tijdens de wandeling werd betrapt op het geven van iets, volgens hem twee sigaretten, aan een medegedetineerde via zijn celraam, is volgens de klachtencommissie een concrete individuele aanwijzing dat klager mogelijks in het bezit was van verboden of gevaarlijke voorwerpen of substanties. Conform het subsidiariteitsprincipe werd klager eerst onderworpen aan een minder ingrijpende controlemaatregel, namelijk het onderzoek aan de kledij. Tijdens dit onderzoek werden er pillen gevonden. Teneinde na te gaan of klager niet nog meer pillen of andere substanties of voorwerpen op zak had, maar dan verstopt op plaatsen die niet gecontroleerd kunnen worden tijdens een onderzoek aan de kledij, heeft de directie volgens de klachtencommissie terecht beslist om een onderzoek aan het lichaam van klager uit te voeren. De klachtencommissie meent dat de klacht tegen de naaktfouille ongegrond is.
Uit de beslissing tot het opleggen van een voorlopige maatregel blijkt dat klager na de naaktfouille onder voorlopige maatregel werd geplaatst. De directie was van oordeel dat een voorlopige maatregel noodzakelijk was omdat klager de interne veiligheid ernstig en opzettelijk had aangetast door tijdens de wandeling iets te hebben doorgegeven aan een medegedetineerde én hij in het bezit werd gevonden van een flinke hoeveelheid witte en roze pillen. De klachtencommissie meent dat deze vaststellingen verdacht waren en dat op het moment van de vondst niet onmiddellijk uitgesloten kon worden dat klager geen wettelijk verboden substanties, dus drugs, in zijn bezit had gehad. Aangezien klager verklaart dat de pillen zijn voorgeschreven hartmedicatie waren en dat deze pillen in een plastic zakje met zijn naam zaten, is de klachtencommissie van oordeel dat deze verklaring van klager diende afgetoetst te worden bij de inrichtingsarts of de medische dienst. In afwachting van een uitsluitsel over de aard van de gevonden pillen, is de klachtencommissie van oordeel dat er hoogstens sprake was van een gevaar voor de orde in de gevangenis. De orde is immers de toestand waarin de gedragsregels worden nageleefd die noodzakelijk zijn voor het tot stand brengen of het handhaven van een menswaardig samenlevingsklimaat in de gevangenis. De klachtencommissie kan bijgevolg begrijpen dat de directie en het personeel op hun hoede waren naar aanleiding van de vondst. De klachtencommissie is daarentegen van oordeel dat de loutere vondst van onbekende pillen, zonder dat er sprake is dat klager zich gedroeg alsof hij onder invloed was of zich dreigend opstelde, geen ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid uitmaakt. De interne veiligheid is immers een toestand waarbij in de gevangenis de fysieke integriteit van personen gevrijwaard wordt en waarin roerende of onroerende goederen geen gevaar lopen van wederrechtelijke beschadiging, vernieling of ontvreemding. Noch in de motivering van de voorlopige maatregel, noch in het RAD wordt vermeld dat er een gevaar was voor de fysieke integriteit van klager zelf, het personeel of andere gedetineerden. Van beschadigingen van goederen of de dreiging daarvoor, was ook geen sprake. De klachtencommissie meent dat de klacht tegen de voorlopige maatregel gegrond is. De klachtencommissie vernietigt de voorlopige maatregel.
Klager heeft tenslotte een klacht ingediend tegen een BVM die zou zijn opgelegd. Uit het verweer van de directie blijkt dat er geen BVM werd opgelegd maar dat klager onder bijzondere bewaking (BBB) werd geplaatst naar aanleiding van verontrustende uitspraken. De term bijzondere bewaking is niet opgenomen in de Basiswet. Uit de verklaringen van klager, het verweer van de directie en het RAD blijkt dat bijzondere bewaking neerkomt op de observatie van een gedetineerde en in casu om het kwartier, ook ’s nachts. De observatie van een gedetineerde (overdag en tijdens de nacht) kan echter enkel plaatsvinden in het kader van een voorlopige maatregel of een bijzondere veiligheidsmaatregel (BVM) of in het kader van de plaatsing van een gedetineerde onder een individueel bijzonder veiligheidsregime (IBVR) door de directeur-generaal van de penitentiaire administratie of zijn gemachtigde. Van een IBVR was er in casu geen sprake en de voorlopige maatregel die een dag eerder was opgelegd, bevatte niet de observatie van klager. Gelet op de aard van de gerapporteerde uitspraken van klager, is de klachtencommissie van oordeel dat de observatie van klager in het kader van een bijzondere veiligheidsmaatregel moest zijn opgelegd. Deze procedure brengt echter met zich mee dat klager voorafgaand aan de beslissing wordt gehoord door de directie, dat klager schriftelijk in kennis wordt gesteld van de gemotiveerde beslissing en dat de BVM niet langer dan zeven dagen mag duren. Dit is in het geval van klager niet gebeurd. Klager werd pas tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting gehoord hoewel hij al tweemaal uitdrukkelijk om een gesprek met de directie had gevraagd en de directie klager volgens de Basiswet ook had moeten horen indien zij hem om het kwartier wou laten observeren. De klachtencommissie meent dat de klacht tegen de bijzondere bewaking gegrond is. De klachtencommissie vernietigt de beslissing.
Klager en zijn advocaat zijn in eerste instantie van oordeel dat de beambte op eigen initiatief een naaktfouille heeft uitgevoerd bij klager zonder dat daarvoor een opdracht werd gegeven door de directie. De klachtencommissie stelt nochtans vast dat zowel uit het RAD, als uit de beslissing tot het opleggen van de naaktfouille als uit het verweer van de directie blijkt dat de directie voorafgaandelijk de beslissing heeft genomen om klager te onderwerpen aan een naaktfouille, weliswaar mondeling en dat deze beslissing slechts de dag nadien schriftelijk werd uitgewerkt. Deze werkwijze is niet in strijd met de Basiswet aangezien de Basiswet enkel vereist dat de directeur zijn beslissing schriftelijk bezorgt aan de gedetineerde uiterlijk vierentwintig uur nadat de fouillering heeft plaatsgevonden. De klachtencommissie besluit dat de naaktfouille een beslissing van de directeur was. Het feit dat klager tijdens de wandeling werd betrapt op het geven van iets, volgens hem twee sigaretten, aan een medegedetineerde via zijn celraam, is volgens de klachtencommissie een concrete individuele aanwijzing dat klager mogelijks in het bezit was van verboden of gevaarlijke voorwerpen of substanties. Conform het subsidiariteitsprincipe werd klager eerst onderworpen aan een minder ingrijpende controlemaatregel, namelijk het onderzoek aan de kledij. Tijdens dit onderzoek werden er pillen gevonden. Teneinde na te gaan of klager niet nog meer pillen of andere substanties of voorwerpen op zak had, maar dan verstopt op plaatsen die niet gecontroleerd kunnen worden tijdens een onderzoek aan de kledij, heeft de directie volgens de klachtencommissie terecht beslist om een onderzoek aan het lichaam van klager uit te voeren. De klachtencommissie meent dat de klacht tegen de naaktfouille ongegrond is.
Uit de beslissing tot het opleggen van een voorlopige maatregel blijkt dat klager na de naaktfouille onder voorlopige maatregel werd geplaatst. De directie was van oordeel dat een voorlopige maatregel noodzakelijk was omdat klager de interne veiligheid ernstig en opzettelijk had aangetast door tijdens de wandeling iets te hebben doorgegeven aan een medegedetineerde én hij in het bezit werd gevonden van een flinke hoeveelheid witte en roze pillen. De klachtencommissie meent dat deze vaststellingen verdacht waren en dat op het moment van de vondst niet onmiddellijk uitgesloten kon worden dat klager geen wettelijk verboden substanties, dus drugs, in zijn bezit had gehad. Aangezien klager verklaart dat de pillen zijn voorgeschreven hartmedicatie waren en dat deze pillen in een plastic zakje met zijn naam zaten, is de klachtencommissie van oordeel dat deze verklaring van klager diende afgetoetst te worden bij de inrichtingsarts of de medische dienst. In afwachting van een uitsluitsel over de aard van de gevonden pillen, is de klachtencommissie van oordeel dat er hoogstens sprake was van een gevaar voor de orde in de gevangenis. De orde is immers de toestand waarin de gedragsregels worden nageleefd die noodzakelijk zijn voor het tot stand brengen of het handhaven van een menswaardig samenlevingsklimaat in de gevangenis. De klachtencommissie kan bijgevolg begrijpen dat de directie en het personeel op hun hoede waren naar aanleiding van de vondst. De klachtencommissie is daarentegen van oordeel dat de loutere vondst van onbekende pillen, zonder dat er sprake is dat klager zich gedroeg alsof hij onder invloed was of zich dreigend opstelde, geen ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid uitmaakt. De interne veiligheid is immers een toestand waarbij in de gevangenis de fysieke integriteit van personen gevrijwaard wordt en waarin roerende of onroerende goederen geen gevaar lopen van wederrechtelijke beschadiging, vernieling of ontvreemding. Noch in de motivering van de voorlopige maatregel, noch in het RAD wordt vermeld dat er een gevaar was voor de fysieke integriteit van klager zelf, het personeel of andere gedetineerden. Van beschadigingen van goederen of de dreiging daarvoor, was ook geen sprake. De klachtencommissie meent dat de klacht tegen de voorlopige maatregel gegrond is. De klachtencommissie vernietigt de voorlopige maatregel.
Klager heeft tenslotte een klacht ingediend tegen een BVM die zou zijn opgelegd. Uit het verweer van de directie blijkt dat er geen BVM werd opgelegd maar dat klager onder bijzondere bewaking (BBB) werd geplaatst naar aanleiding van verontrustende uitspraken. De term bijzondere bewaking is niet opgenomen in de Basiswet. Uit de verklaringen van klager, het verweer van de directie en het RAD blijkt dat bijzondere bewaking neerkomt op de observatie van een gedetineerde en in casu om het kwartier, ook ’s nachts. De observatie van een gedetineerde (overdag en tijdens de nacht) kan echter enkel plaatsvinden in het kader van een voorlopige maatregel of een bijzondere veiligheidsmaatregel (BVM) of in het kader van de plaatsing van een gedetineerde onder een individueel bijzonder veiligheidsregime (IBVR) door de directeur-generaal van de penitentiaire administratie of zijn gemachtigde. Van een IBVR was er in casu geen sprake en de voorlopige maatregel die een dag eerder was opgelegd, bevatte niet de observatie van klager. Gelet op de aard van de gerapporteerde uitspraken van klager, is de klachtencommissie van oordeel dat de observatie van klager in het kader van een bijzondere veiligheidsmaatregel moest zijn opgelegd. Deze procedure brengt echter met zich mee dat klager voorafgaand aan de beslissing wordt gehoord door de directie, dat klager schriftelijk in kennis wordt gesteld van de gemotiveerde beslissing en dat de BVM niet langer dan zeven dagen mag duren. Dit is in het geval van klager niet gebeurd. Klager werd pas tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting gehoord hoewel hij al tweemaal uitdrukkelijk om een gesprek met de directie had gevraagd en de directie klager volgens de Basiswet ook had moeten horen indien zij hem om het kwartier wou laten observeren. De klachtencommissie meent dat de klacht tegen de bijzondere bewaking gegrond is. De klachtencommissie vernietigt de beslissing.