TUCHT - KWALIFICATIE FEITEN - MOTIVERING
De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD van 22 augustus 2025. Hierin wordt beschreven hoe klager op de wandeling met een tondeuse zijn haar liet scheren door een medegedetineerde. Ter tuchtzitting erkende klager de feiten, doch stelde dat hij niet wist dat het verboden was. De directie kon de feiten redelijkerwijze bewezen achtten. De directie kwalificeerde de feiten als het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). Klager stelde ter tuchtzitting dat hij niet wist dat hetgeen hij deed, verboden was. De klachtencommissie stelt vast dat de inbreuk zoals door klager gepleegd, niet letterlijk omschreven staat in het huishoudelijk reglement. De directie argumenteert in haar verweer dat klager zich enerzijds schuldig maakte aan deelname aan het meenemen van een voorwerp (tondeuse) dat niet meegenomen mogen worden naar de wandeling en anderzijds aan het verbod op verkoop, ruil, schenking,… omdat hem een dienst verleend werd door de medegedetineerde. Hoewel de klachtencommissie zich op basis van deze argumentatie kan vinden in de kwalificatie van de feiten an sich, stelt zij vast dat in de tuchtbeslissing zelf nergens geëxpliciteerd wordt op welke bepaling(en) van het huishoudelijk reglement klager een inbreuk zou hebben gepleegd. Dit wordt enkel uitvoerig toegelicht in het verweer tegen de klacht. Volgens de klachtencommissie dient de directie bij het weerhouden van de inbreuk van het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet) steeds de bepaling van het huishoudelijk reglement te vermelden waarop een inbreuk wordt gepleegd. De klachtencommissie herinnert eraan dat een gebrekkige motivering niet kan rechtgezet worden middels het verweer tegen een klacht. Gelet op deze tekortkoming oordeelt de klachtencommissie dat de tuchtbeslissing niet voldoet aan artikel 144, §6, tweede lid j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond. De bestreden beslissing wordt vernietigd. De klachtencommissie kent géén tegemoetkoming toe.
De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD van 22 augustus 2025. Hierin wordt beschreven hoe klager op de wandeling met een tondeuse zijn haar liet scheren door een medegedetineerde. Ter tuchtzitting erkende klager de feiten, doch stelde dat hij niet wist dat het verboden was. De directie kon de feiten redelijkerwijze bewezen achtten. De directie kwalificeerde de feiten als het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). Klager stelde ter tuchtzitting dat hij niet wist dat hetgeen hij deed, verboden was. De klachtencommissie stelt vast dat de inbreuk zoals door klager gepleegd, niet letterlijk omschreven staat in het huishoudelijk reglement. De directie argumenteert in haar verweer dat klager zich enerzijds schuldig maakte aan deelname aan het meenemen van een voorwerp (tondeuse) dat niet meegenomen mogen worden naar de wandeling en anderzijds aan het verbod op verkoop, ruil, schenking,… omdat hem een dienst verleend werd door de medegedetineerde. Hoewel de klachtencommissie zich op basis van deze argumentatie kan vinden in de kwalificatie van de feiten an sich, stelt zij vast dat in de tuchtbeslissing zelf nergens geëxpliciteerd wordt op welke bepaling(en) van het huishoudelijk reglement klager een inbreuk zou hebben gepleegd. Dit wordt enkel uitvoerig toegelicht in het verweer tegen de klacht. Volgens de klachtencommissie dient de directie bij het weerhouden van de inbreuk van het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet) steeds de bepaling van het huishoudelijk reglement te vermelden waarop een inbreuk wordt gepleegd. De klachtencommissie herinnert eraan dat een gebrekkige motivering niet kan rechtgezet worden middels het verweer tegen een klacht. Gelet op deze tekortkoming oordeelt de klachtencommissie dat de tuchtbeslissing niet voldoet aan artikel 144, §6, tweede lid j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond. De bestreden beslissing wordt vernietigd. De klachtencommissie kent géén tegemoetkoming toe.