Ga verder naar de inhoud

KC16/25-0268

Ongegrond KC - Leuven Centraal Klachtencommissie Voorlopige maatregel Tucht
VOORLOPIGE MAATREGEL - TUCHT

Klager heeft in de eerste plaats een klacht ingediend tegen een voorlopige maatregel. Uit de bestreden beslissing blijkt dat de directie van oordeel was dat klager de interne veiligheid ernstig en opzettelijk had aangetast. Door de voorlopige maatregel was klager tot aan de tuchtrechtelijke hoorzitting verplicht te verblijven in zijn cel en was hij uitgesloten van deelname aan alle gemeenschappelijke en individuele activiteiten.
De interne veiligheid wordt in de Basiswet gedefinieerd als een toestand waarbij in de gevangenis de fysieke integriteit van personen gevrijwaard wordt en waarin roerende of onroerende goederen geen gevaar lopen van wederrechtelijke beschadiging, vernieling of ontvreemding.
Hoewel klager tijdens de zitting heeft ontkend dat hij heeft geroepen, staat in het RAD duidelijk dat de twee beambten klager in het lokaal hoorden roepen waarop zij het lokaal hebben betreden en dat klager ook nog heeft geroepen desondanks de beambte had gevraagd om hiermee op te houden. Gelet op het feit dat de ploegchef alarm heeft geduwd en de interventieploeg klager heeft begeleid naar de cel, is de klachtencommissie van oordeel dat klager een bedreigende indruk moet hebben getoond. De klachtencommissie besluit dat de voorlopige maatregel conform de voorwaarden uit de Basiswet werd genomen. Om deze redenen is de klacht tegen de voorlopige maatregel ongegrond.

Klager heeft in tweede instantie een klacht ingediend tegen de daaropvolgende tuchtbeslissing. Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen of de bedreiging daarmee, een tuchtinbreuk van de eerste categorie. Uit de motivering van de tuchtbeslissing blijkt dat de gevangenisdirectie zich bij het bewezen verklaren van de feiten heeft gebaseerd op de vaststellingen in het RAD alsook op de verklaringen die door klager zijn afgelegd tijdens de tuchtzitting. Uit het verslag van de hoorzitting blijkt in eerste instantie dat de directie wel degelijk kennis had genomen van de observatienota die ook werd opgesteld nadat klager opnieuw in zijn cel was. Uit die nota blijkt dat klager meerdere malen in gesprek is gegaan met bewakend personeel over de feiten die zich eerder die dag hadden afgespeeld. De opsteller van de nota gaf aan dat klager duidelijk de nood voelde om even zijn hart te luchten over wat er precies was gebeurd. Hij had ook gevraagd om de reden voor zijn reactie in de nota neer te schrijven. De gesprekken met het bewakend personeel verliepen rustig maar vrij emotioneel. Klager besefte dat hij niet juist had gereageerd maar hij had gereageerd uit onmacht. Hij merkt dat zijn dossier vastzit en belangrijke papieren niet vertaald geraken. Klager had al meerdere keren een gesprek gevraagd met de directie en hij hoopt zijn frustratie te kunnen verduidelijken tijdens een persoonlijk gesprek. De klachtencommissie meent dat de inhoud van deze nota overeenkomt met de verklaringen van klager en zijn advocaat tijdens de zitting van de klachtencommissie. Uit het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting blijkt verder dat klager zijn frustraties heeft uitgelegd aan de directie en dat zij hiervoor begrip toonde maar dat dit de reactie van klager nog niet rechtvaardigde. De klachtencommissie besluit dat klager de vaststellingen in het RAD niet betwist. Het was net zijn bedoeling om zo te reageren in de hoop om gehoord te worden. De klachtencommissie is van oordeel dat de manier waarop klager zijn frustraties en onmacht kenbaar heeft gemaakt dreigend overkwam voor de dossierbeheerders van de PSD, in die mate dat hun psychische integriteit werd aangetast. De directie kon de inbreuk in redelijkheid en billijkheid bewezen verklaren. Om deze redenen is de klacht tegen de tuchtbeslissing ongegrond.