Ga verder naar de inhoud

KC16/26-0033

Ongegrond Gegrond KC - Leuven Centraal Klachtencommissie Voorlopige maatregel Bijzondere veiligheidsmaatregel
VM - TUCHT - BVM - TEGEMOETKOMING

De klachten gaan over de weigering van een medische douche, over het ontbreken van een handtekening van de directeur op een voorlopige maatregel en over de samenloop van een tuchtprocedure en een bijzondere veiligheidsmaatregel (BVM).

- Over de medische douche
Klager stelt dat hij van bepaalde beambten niet meer mocht douchen, hoewel hij recht heeft op een dagelijkse medische douche. Het betreft hier de uitvoering van een beslissing van de arts van de gevangenis van Leuven Centraal en geen beslissing van de directie. Bovendien is de klachtencommissie ook niet bevoegd voor klachten over beweerdelijk feitelijk handelen van een personeelslid dat niet in verbinding kan worden gebracht met een beslissing van de directeur.

- Over de handtekening op de voorlopige maatregel
De directeur kan een voorlopige maatregel nemen in afwachting van de tuchtprocedure. De klachtencommissie stelt vast dat de beslissing tot het opleggen van de voorlopige maatregel een dienstdoende technisch deskundige bewaking (ddTDB) in opdracht van de directeur werd ondertekend en niet door de directeur zelf.

In de Collectieve Brief nr. 124 van 6 september 2013 (p. 14) wordt bepaald dat, wanneer de situatie van gevaar geen enkel uitstel duldt, ook andere personeelsleden deze beslissing kunnen nemen, mits onmiddellijke kennisgeving ervan aan de directeur, die dan een beslissing neemt. Uit een beslissing van de beroepscommissie blijkt echter dat een dergelijke delegatie aan ander personeel in de Basiswet enkel bij bijzondere veiligheidsmaatregelen en niet in het kader van tucht wordt voorzien. Volgens de beroepscommissie zou DG EPI haar instructies, dus ook bovenstaande bepaling van de Collectieve Brief, daardoor moeten aanpassen. Door in een dergelijke delegatie te voorzien, gaat de Collectieve Brief nr. 124 verder dan hetgeen op heden in de Basiswet wordt bepaald. Zodoende is het enkel de directeur, zonder uitzondering, die een voorlopige maatregel in het kader van een tuchtprocedure kan opleggen.

Los van de vraag of de directie de inschatting kon maken of in deze zaak überhaupt sprake was van een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid die een voorlopige maatregel ten aanzien van klager rechtvaardigde , blijkt uit de stukken dat de voorlopige maatregel niet werd bevolen door de directie, maar door een ander personeelslid. De voorlopige maatregel werd dus niet opgelegd volgens de vereisten van artikel 145 van de Basiswet. Om deze redenen is de klacht gegrond. De klachtencommissie vernietigt de voorlopige maatregel. De klachtencommissie kent in overeenstemming met haar eerdere rechtspraak aan klager de volgende tegemoetkoming toe: 30 belminuten tegen het nationaal tarief voor gesprekken naar een vast toestel.

- Over de samenloop van de tuchtprocedure en de bijzondere veiligheidsmaatregel
De klachtencommissie stelt vast dat de tuchtsanctie van negen dagen ATV naar aanleiding van de tuchtbeslissing van 18/01/2026 in principe lopende van 16/01/2026 (aanvang eerste voorlopige maatregel) tot 25/01/2026. Aangezien de nieuwe incidenten plaatsvonden tijdens de periode waarbij klager onder ATV zat, en de bijzondere veiligheidsmaatregel van 21/01/2026 tot en met 27/01/2026 liep, werd de oorspronkelijke ATV-sanctie onderbroken. Na afloop van de BVM werden de resterende dagen ATV verder uitgevoerd.

Klager spreekt in zijn klacht van een schending van de artikelen 110, § 2 en 156 van de Basiswet. De klachtencommissie stelt vast dat noch de door klager aangehaalde artikelen, noch de overige bepalingen uit de Basiswet iets bepalen over de samenloop van een BVM met een lopende tuchtbeslissing. De klachtencommissie is dan ook van oordeel dat de beslissing om de uitvoering van de ATV-sanctie te schorsen door de BVM, en de resterende periode van de ATV-sanctie meteen na afloop van de bijzondere veiligheidsmaatregel verder uit te voeren, niet onwettig is. Gelet op de ernst van de feiten en de beslissing tot de nood aan veiligheidsmaatregelen, is de klachtencommissie van oordeel dat het ook niet onredelijk of onbillijk was om eerst de bijzondere beveiligingsmaatregel op te leggen – zonder repressief of bestraffend karakter – om zo de veiligheid van zowel klager als de inrichting te vrijwaren, en meteen na afloop hiervan klager zijn sanctie voor andere feiten verder te laten uitvoeren, waarbij wel een bestraffend oogmerk aanwezig was.

De klachtencommissie begrijpt dat niet alleen de tuchtsanctie, maar ook de BVM voor klager, gelet op de verschillende incidenten met daaropvolgende maatregelen en sancties, als bestraffend kan aanvoelen, maar de klachtencommissie is desondanks van oordeel dat de directie de correcte maatregelen heeft genomen naar aanleiding van de verschillende incidenten en de beslissingen ook voldoende uitgebreid heeft gemotiveerd.