KC16/26-0043
Gegrond
Onontvankelijk
KC - Leuven Centraal
Klachtencommissie
Andere beslissing directeur
Geen beslissing directeur
STAKING – WANDELING - VRIJE TIJD - TEGEMOETKOMING
De klacht gaat over het niet voorzien van een wandeling tijdens de staking. In het geval van een (niet-spontane) staking dient de directie enkele rechten van gedetineerden te waarborgen. Zo wordt in de wet van 23 maart 2019 betreffende de organisatie van de penitentiaire diensten en het statuut van het penitentiair personeel bepaald dat, teneinde de veiligheid en de gezondheid van de opgesloten personen te verzekeren, tijdens de gehele duur van de staking wordt voorzien in bepaalde minimumgaranties voor gedetineerden. Dat de directie de bevoegdheid en verantwoordelijkheid heeft om bepaalde maatregelen te treffen, wordt ook hernomen in de Ministeriële Omzendbrief nr. 1819 van 24 februari 2020. De directie heeft dus wel degelijk de verantwoordelijkheid om de nodige maatregelen te treffen zodat de minimumgaranties ten aanzien van gedetineerden worden nageleefd. Dit werd bevestigd in de rechtspraak van de Nederlandstalige Beroepscommissie. Een klacht over het gebrek aan een wandeling op een stakingsdag betreft aldus een klacht inzake een verzuim van de directie om maatregelen te nemen. De klacht is volgens de klachtencommissie gericht tegen een verzuim van een beslissing die de individuele detentiesituatie van klager raakt. Dit zorgt ervoor dat het verzuim wel degelijk beklagwaardig is.
Dat de klachtencommissie in het verleden terecht niet meeging in het argument van de directie inzake niet-ontvankelijkheid, dat gestoeld is op het arrest van de Raad van State nr. 260.798 van 26 september 2024, werd door de Nederlandstalige Beroepscommissie recent op omstandige wijze bevestigd. De klacht werd bovendien tijdig ingediend. De klacht is ontvankelijk.
De klachtencommissie wijst erop dat hoewel het inrichtingshoofd in de gelegenheid werd gesteld om aan te tonen dat er eventueel sprake was van overmacht wat betreft het garanderen van de grondrechten tijdens een staking, zij nagelaten heeft om haar verweer over de gegrondheid van de zaak uit te werken. Hierdoor kan de klachtencommissie een eventuele overmachtssituatie niet nagaan. Het verzuim om in maatregelen te voorzien zodat klager op de stakingsdagen een uur in de buitenlucht kon vertoeven, is onwettig. De klacht is bijgevolg gegrond.
De klachtencommissie kent in overeenstemming met haar eerdere rechtspraak aan klager de volgende tegemoetkoming toe: 75 belminuten tegen het nationaal tarief voor gesprekken naar een vast toestel.
De tweede klacht gaat over het niet voorzien van een douchemoment tijdens de stakingen. De klachtencommissie stelt vast dat gedetineerden geen recht hebben op een dagelijkse douche, maar wel om zich dagelijks te wassen.
De klachtencommissie stelt vast dat het om een afzonderlijke stakingsdag ging. Daarnaast stelt klager in zijn klachtenformulier enkel dat hij niet kon douchen, maar voert hij niet aan dat hij niet in de gelegenheid werd gesteld om zijn uiterlijk en zijn lichamelijke hygiëne behoorlijk te verzorgen. De klachtencommissie is bijgevolg van oordeel dat er geen sprake is van een schending van artikel 17, 2° van de wet van 23 maart 20219.
De klachtencommissie besluit dat het feit dat klager op de stakingsdagen niet mocht douchen geen verzuim van de directie uitmaakt om maatregelen te nemen teneinde de minimale dienstverlening tijdens de staking te garanderen. Om deze reden is de klacht niet-ontvankelijk.
De derde klacht gaat over het uitblijven van de fitness door de stakingen en personeelstekort. Uit de bijkomende informatie van de directie blijkt duidelijk dat klager tijdens de aangehaalde stakingsperiode herhaaldelijk gebruik heeft gemaakt van de fitness. Artikel 17 van de wet van 23 maart 2019 bepaalt inzake minimale dienstverlening bovendien nergens dat klager tijdens de staking steeds recht zou hebben op een bepaald aantal sportmomenten, in tegenstelling tot de hierboven uiteengezette overwegingen in verband met het recht op een dagelijks uur in de buitenlucht. De klachtencommissie besluit dat het feit dat klager op de stakingsdagen niet mocht fitnessen geen verzuim van de directie uitmaakt om maatregelen te nemen teneinde de minimale dienstverlening tijdens de staking te garanderen. Om deze reden is de klacht niet-ontvankelijk.
De klacht gaat over het niet voorzien van een wandeling tijdens de staking. In het geval van een (niet-spontane) staking dient de directie enkele rechten van gedetineerden te waarborgen. Zo wordt in de wet van 23 maart 2019 betreffende de organisatie van de penitentiaire diensten en het statuut van het penitentiair personeel bepaald dat, teneinde de veiligheid en de gezondheid van de opgesloten personen te verzekeren, tijdens de gehele duur van de staking wordt voorzien in bepaalde minimumgaranties voor gedetineerden. Dat de directie de bevoegdheid en verantwoordelijkheid heeft om bepaalde maatregelen te treffen, wordt ook hernomen in de Ministeriële Omzendbrief nr. 1819 van 24 februari 2020. De directie heeft dus wel degelijk de verantwoordelijkheid om de nodige maatregelen te treffen zodat de minimumgaranties ten aanzien van gedetineerden worden nageleefd. Dit werd bevestigd in de rechtspraak van de Nederlandstalige Beroepscommissie. Een klacht over het gebrek aan een wandeling op een stakingsdag betreft aldus een klacht inzake een verzuim van de directie om maatregelen te nemen. De klacht is volgens de klachtencommissie gericht tegen een verzuim van een beslissing die de individuele detentiesituatie van klager raakt. Dit zorgt ervoor dat het verzuim wel degelijk beklagwaardig is.
Dat de klachtencommissie in het verleden terecht niet meeging in het argument van de directie inzake niet-ontvankelijkheid, dat gestoeld is op het arrest van de Raad van State nr. 260.798 van 26 september 2024, werd door de Nederlandstalige Beroepscommissie recent op omstandige wijze bevestigd. De klacht werd bovendien tijdig ingediend. De klacht is ontvankelijk.
De klachtencommissie wijst erop dat hoewel het inrichtingshoofd in de gelegenheid werd gesteld om aan te tonen dat er eventueel sprake was van overmacht wat betreft het garanderen van de grondrechten tijdens een staking, zij nagelaten heeft om haar verweer over de gegrondheid van de zaak uit te werken. Hierdoor kan de klachtencommissie een eventuele overmachtssituatie niet nagaan. Het verzuim om in maatregelen te voorzien zodat klager op de stakingsdagen een uur in de buitenlucht kon vertoeven, is onwettig. De klacht is bijgevolg gegrond.
De klachtencommissie kent in overeenstemming met haar eerdere rechtspraak aan klager de volgende tegemoetkoming toe: 75 belminuten tegen het nationaal tarief voor gesprekken naar een vast toestel.
De tweede klacht gaat over het niet voorzien van een douchemoment tijdens de stakingen. De klachtencommissie stelt vast dat gedetineerden geen recht hebben op een dagelijkse douche, maar wel om zich dagelijks te wassen.
De klachtencommissie stelt vast dat het om een afzonderlijke stakingsdag ging. Daarnaast stelt klager in zijn klachtenformulier enkel dat hij niet kon douchen, maar voert hij niet aan dat hij niet in de gelegenheid werd gesteld om zijn uiterlijk en zijn lichamelijke hygiëne behoorlijk te verzorgen. De klachtencommissie is bijgevolg van oordeel dat er geen sprake is van een schending van artikel 17, 2° van de wet van 23 maart 20219.
De klachtencommissie besluit dat het feit dat klager op de stakingsdagen niet mocht douchen geen verzuim van de directie uitmaakt om maatregelen te nemen teneinde de minimale dienstverlening tijdens de staking te garanderen. Om deze reden is de klacht niet-ontvankelijk.
De derde klacht gaat over het uitblijven van de fitness door de stakingen en personeelstekort. Uit de bijkomende informatie van de directie blijkt duidelijk dat klager tijdens de aangehaalde stakingsperiode herhaaldelijk gebruik heeft gemaakt van de fitness. Artikel 17 van de wet van 23 maart 2019 bepaalt inzake minimale dienstverlening bovendien nergens dat klager tijdens de staking steeds recht zou hebben op een bepaald aantal sportmomenten, in tegenstelling tot de hierboven uiteengezette overwegingen in verband met het recht op een dagelijks uur in de buitenlucht. De klachtencommissie besluit dat het feit dat klager op de stakingsdagen niet mocht fitnessen geen verzuim van de directie uitmaakt om maatregelen te nemen teneinde de minimale dienstverlening tijdens de staking te garanderen. Om deze reden is de klacht niet-ontvankelijk.