Ga verder naar de inhoud

KC17/25-0007

Gegrond Onontvankelijk KC - Leuven Hulp Klachtencommissie Tucht Fouille op het lichaam
FOUILLE OP HET LICHAAM – TUCHT

Klager heeft een klacht ingediend tegen een naaktfouillering en tegen een tuchtbeslissing. Tijdens de zitting van de klachtencommissie verklaarde klager dat hij niets te maken heeft met de gebeurtenissen die in het RAD beschreven worden. Het overgegooide pakket zou niet aan hem zijn bezorgd. Hij ontkent alle feiten.

- Wat betreft de naaktfouille

Uit de zitting van de klachtencommissie blijkt dat de omstreden naaktfouillering plaatsvond op 09.12.2024. Een klacht moet uiterlijk de zevende dag na die waarop de gedetineerde kennis heeft gekregen van een bestreden beslissing, worden ingediend. Klager heeft zijn klacht ingediend op 11.02.2025. De klacht werd bijgevolg laattijdig ingediend. De klachtencommissie meent dat klager in zijn klacht of ter zitting ook geen redenen heeft vermeld om aan te nemen dat hij de klacht zo spoedig mogelijk heeft ingediend.

Deze klacht is bijgevolg kennelijk onontvankelijk.

- Wat betreft de tuchtbeslissing

In eerste instantie meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk werd opgesteld. De klachtencommissie is ook van oordeel dat klager geen overtuigende elementen heeft aangevoerd waaruit de klachtencommissie kan afleiden dat het rapport geen correcte weergave zou zijn van de feiten.

De klachtencommissie stelt vast dat de tuchtrechtelijke inbreuk van de tweede categorie bewezen is. Uit het RAD blijkt immers duidelijk dat klager de inhoud van een pakketje dat eerder was overgegooid, heeft aangenomen en heeft doorgegeven. Schenkingen en ruilingen zijn verboden volgens het huishoudelijk reglement van de gevangenis van Leuven-Hulp en volgens Collectieve Brief nr. 113.

De klachtencommissie stelt echter vast dat de kwalificatie van de tuchtrechtelijke inbreuk van de eerste categorie, onwettig is. Nergens wordt immers gemotiveerd waarom de feiten ook gekwalificeerd kunnen worden als het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties. Deze tuchtrechtelijke inbreuk kan enkel bewezen worden verklaard wanneer er sprake is van voorwerpen of substanties die in de buitenwereld ook verboden zijn. Noch uit het RAD, noch uit de tuchtrechtelijke hoorzitting of de motivatie bij de tuchtsanctie blijkt hier sprake van te zijn. De klachtencommissie is daarom van oordeel dat de tuchtinbreuk van de eerste categorie niet is bewezen en vernietigt de tuchtbeslissing op dit punt.