KC17/25-0025
Ongegrond
KC - Leuven Hulp
Klachtencommissie
Fouille op het lichaam
FOUILLE LICHAAM - MOTIVERING - VERBODEN SUBSTANTIES
Een onderzoek aan het lichaam kan enkel door een directielid worden bevolen wanneer deze van oordeel is dat er individuele aanwijzingen zijn om te vermoeden dat een gedetineerde in het bezit is van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk kunnen zijn én dat een onderzoek aan de kledij niet zou volstaan om deze voorwerpen of substanties te vinden. De klachtencommissie is van oordeel dat de motivering van de bestreden beslissing in de eerste plaats de individuele aanwijzingen bevat waarom de directie het vermoeden had dat klager tijdens de wandeling in het bezit was gekomen van verboden voorwerpen en/of substanties. Om een naaktfouille te kunnen opleggen is niet vereist dat de directie bewijs heeft dat een gedetineerde in het bezit is van verboden voorwerpen of substanties, aanwijzingen zijn voldoende. De beambte die het RAD heeft opgesteld, meent te hebben gezien dat klager een deel van het overgegooid pakket had ontvangen van een medegedetineerde. Klager verklaart zelf dat dat niet klopt en dat hij tabak had gegeven aan de medegedetineerde. In de hypothese dat klager gelijk heeft, is de klachtencommissie van oordeel dat ook deze transactie, hoe barmhartig ook, verdacht lijkt in de omstandigheden dat er net een pakket werd overgegooid op de wandeling. Bovendien is elke transactie tussen gedetineerden verboden. Aangezien de inhoud van het pakket onbekend was, kon de directie niet uitsluiten dat het pakket verboden voorwerpen en/of substanties bevatte. In de motivering blijkt ook de subsidiariteitstoets en heeft de directie gemotiveerd waarom een onderzoek aan het lichaam noodzakelijk is.
De klachtencommissie besluit dat de naaktfouille voldeed aan de wettelijke voorwaarden bepaald in de Basiswet. Om deze redenen is de klacht ongegrond.
Een onderzoek aan het lichaam kan enkel door een directielid worden bevolen wanneer deze van oordeel is dat er individuele aanwijzingen zijn om te vermoeden dat een gedetineerde in het bezit is van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk kunnen zijn én dat een onderzoek aan de kledij niet zou volstaan om deze voorwerpen of substanties te vinden. De klachtencommissie is van oordeel dat de motivering van de bestreden beslissing in de eerste plaats de individuele aanwijzingen bevat waarom de directie het vermoeden had dat klager tijdens de wandeling in het bezit was gekomen van verboden voorwerpen en/of substanties. Om een naaktfouille te kunnen opleggen is niet vereist dat de directie bewijs heeft dat een gedetineerde in het bezit is van verboden voorwerpen of substanties, aanwijzingen zijn voldoende. De beambte die het RAD heeft opgesteld, meent te hebben gezien dat klager een deel van het overgegooid pakket had ontvangen van een medegedetineerde. Klager verklaart zelf dat dat niet klopt en dat hij tabak had gegeven aan de medegedetineerde. In de hypothese dat klager gelijk heeft, is de klachtencommissie van oordeel dat ook deze transactie, hoe barmhartig ook, verdacht lijkt in de omstandigheden dat er net een pakket werd overgegooid op de wandeling. Bovendien is elke transactie tussen gedetineerden verboden. Aangezien de inhoud van het pakket onbekend was, kon de directie niet uitsluiten dat het pakket verboden voorwerpen en/of substanties bevatte. In de motivering blijkt ook de subsidiariteitstoets en heeft de directie gemotiveerd waarom een onderzoek aan het lichaam noodzakelijk is.
De klachtencommissie besluit dat de naaktfouille voldeed aan de wettelijke voorwaarden bepaald in de Basiswet. Om deze redenen is de klacht ongegrond.