Ga verder naar de inhoud

KC17/25-0041

Gegrond KC - Leuven Hulp Klachtencommissie Tucht
TUCHT - KWALIFICATIE FEITEN - MOTIVERING - SANCTIE

De directie heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD van 2 juli 2025. Hierin wordt hoe klager en een medegedetineerde eerst in een discussie verwikkeld zijn, waarna klager uithaalt en de medegedetineerde een slag geeft ter hoogte van diens rechteroog. Klager betwiste de feiten ter tuchtzitting, maar stelde dat hij de medegedetineerde duwde. Volgens de klachtencommissie bracht klager ter tuchtzitting geen tegenindicaties aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte.

De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet) het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). De klachtencommissie acht de kwalificatie van de feiten als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet) correct en afdoende gemotiveerd. De klachtencommissie acht de dubbele kwalificatie van de feiten als zijnde het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet) daarentegen niet correct. De klachtencommissie wijst erop dat de algemene bepaling van het huishoudelijk reglement waarnaar de directie verwijst een loutere overname is van de algemene gedragsvoorschriften van artikel 106, §1 en §2 Basiswet en dat deze bepaling in het huishoudelijk reglement daardoor op zichzelf géén tuchtinbreuk in het leven roept. Het niet respecteren van deze passage kan met andere woorden niet opgevat worden als een overtreding van het huishoudelijk reglement. Deze kwalificatie dient geschrapt te worden.

Klager pleegde één inbreuk van de eerste categorie en één inbreuk van de tweede categorie. Hij kreeg hiervoor 14 dagen ATV. De directie herneemt in de motivering niet expliciet het aantal dagen ATV op. Het handelt om een eerder opgelegde voorwaardelijke sanctie die nu ten uitvoer wordt gelegd. De klachtencommissie meent dat de aan klager opgelegde sanctie wettelijk én redelijk is. Volgens de klachtencommissie is dit ook nog het geval indien ze enkel zou worden opgelegd voor de tuchtinbreuk van de eerste categorie, na schrapping van de tuchtinbreuk van de tweede categorie (zie hierboven). De klachtencommissie verzoekt de directie om voortaan wel duidelijker het aantal dagen ATV te vermelden, dit zowel in de motivering als in de tabel, evenals het aantal dagen dat hiervan reeds onder de vorm van een voorlopige maatregel werd doorlopen. Het is niet de bedoeling dat klager (of de klachtencommissie) zelf de berekening moet maken. De klacht is gedeeltelijk gegrond. De klachtencommissie beslist tot de gedeeltelijke vernietiging (artikel 158, §3, 3° Basiswet) van de tuchtbeslissing voor wat betreft de inbreuk van artikel 130, 2° Basiswet en het gedeelte van de motivering dat hierover handelt. De tuchtbeslissing blijft overeind voor wat betreft de inbreuk van artikel 129, 1° Basiswet, de motivering hiervan en de opgelegde tuchtsanctie van 14 dagen ATV.