KC17/25-0046
Ongegrond
Gegrond
KC - Leuven Hulp
Klachtencommissie
Tucht
Ordemaatregel
TUCHT - ORDEMAATREGEL - ONTSLAG
De klacht gaat over een tuchtbeslissing en een ordemaatregel (afzetting van werk) van de directie van de gevangenis van Leuven Hulp.
Over de tuchtbeslissing: de directie heeft een tuchtsanctie van 7 dagen ATV voor de volgende inbreuken: 1) de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee en 2) het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen opgelegd.
Wat betreft de kwalificatie “de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee” ziet de klachtencommissie geen reden waarom de directie zich bij het nemen van de bestreden beslissing niet had mogen steunen op het RAD. De directie kon de feiten, zoals die duidelijk en uitdrukkelijk in het RAD werden beschreven, voor waar en als voldoende aannemen. De directie kon dan ook binnen de grenzen van de redelijkheid oordelen dat de feiten die aan klager werden ten laste gelegd, bewezen waren.
Vervolgens acht de klachtencommissie de dubbele kwalificatie van de feiten als zijnde het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet) niet correct. De klachtencommissie wijst erop dat deze algemene bepaling van het huishoudelijk reglement een loutere overname is van de algemene gedragsvoorschriften van artikel 106, §1 en §2 van de Basiswet en dat deze bepaling in het huishoudelijk reglement daardoor op zichzelf géén tuchtinbreuk in het leven roept. Het niet respecteren van deze passage kan met andere woorden niet opgevat worden als een overtreding van het huishoudelijk reglement.
In het voorliggend dossier kan de kwalificatie van de feiten als het niet-naleven van het huishoudelijk reglement volgens de klachtencommissie dan ook niet overeind blijven. Deze kwalificatie dient geschrapt te worden. De klachtencommissie draagt de directie daarom op om de kwalificatie van de tuchtsanctie aan te passen in het tuchtregister van klager.
De klachtencommissie stelt vast dat de tuchtprocedure door de directie correct gevolgd werd. De feiten vormen een tuchtrechtelijke inbreuk van de eerste categorie , die kunnen worden gestraft met een maximum van 30 dagen ATV. De klachtencommissie stelt vast dat de directie rekening heeft gehouden met de omvang van de feiten en geen onredelijk zware straf van 7 dagen ATV heeft opgelegd. Om bovenstaande redenen, is de klacht gedeeltelijk gegrond.
Over de ordemaatregel: een gedetineerde heeft het recht om deel te nemen aan de in de gevangenis beschikbare arbeid. Het is de directeur die instaat voor de toewijzing van deze arbeid en dit aan de gedetineerden die om arbeid hebben verzocht. Ook het ontnemen van werk is een beslissing die in principe toekomt aan de directeur. De Basiswet voorziet niet in een specifieke procedure voor de afzetting van werk van een gedetineerde.
De klachtencommissie stelt vast dat de directie de ordemaatregel schriftelijk motiveerde. Ook werd voldaan aan de vereiste dat de motivering moet toelaten dat de gedetineerde begrijpt waarom hij niet langer als geschikt wordt beschouwd voor de arbeidspost. De beslissing tot afzetting van werk is dus niet onwettig. De beslissing is daarnaast niet onredelijk of onbillijk. De klacht is bijgevolg ongegrond.
De klacht gaat over een tuchtbeslissing en een ordemaatregel (afzetting van werk) van de directie van de gevangenis van Leuven Hulp.
Over de tuchtbeslissing: de directie heeft een tuchtsanctie van 7 dagen ATV voor de volgende inbreuken: 1) de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee en 2) het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen opgelegd.
Wat betreft de kwalificatie “de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee” ziet de klachtencommissie geen reden waarom de directie zich bij het nemen van de bestreden beslissing niet had mogen steunen op het RAD. De directie kon de feiten, zoals die duidelijk en uitdrukkelijk in het RAD werden beschreven, voor waar en als voldoende aannemen. De directie kon dan ook binnen de grenzen van de redelijkheid oordelen dat de feiten die aan klager werden ten laste gelegd, bewezen waren.
Vervolgens acht de klachtencommissie de dubbele kwalificatie van de feiten als zijnde het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet) niet correct. De klachtencommissie wijst erop dat deze algemene bepaling van het huishoudelijk reglement een loutere overname is van de algemene gedragsvoorschriften van artikel 106, §1 en §2 van de Basiswet en dat deze bepaling in het huishoudelijk reglement daardoor op zichzelf géén tuchtinbreuk in het leven roept. Het niet respecteren van deze passage kan met andere woorden niet opgevat worden als een overtreding van het huishoudelijk reglement.
In het voorliggend dossier kan de kwalificatie van de feiten als het niet-naleven van het huishoudelijk reglement volgens de klachtencommissie dan ook niet overeind blijven. Deze kwalificatie dient geschrapt te worden. De klachtencommissie draagt de directie daarom op om de kwalificatie van de tuchtsanctie aan te passen in het tuchtregister van klager.
De klachtencommissie stelt vast dat de tuchtprocedure door de directie correct gevolgd werd. De feiten vormen een tuchtrechtelijke inbreuk van de eerste categorie , die kunnen worden gestraft met een maximum van 30 dagen ATV. De klachtencommissie stelt vast dat de directie rekening heeft gehouden met de omvang van de feiten en geen onredelijk zware straf van 7 dagen ATV heeft opgelegd. Om bovenstaande redenen, is de klacht gedeeltelijk gegrond.
Over de ordemaatregel: een gedetineerde heeft het recht om deel te nemen aan de in de gevangenis beschikbare arbeid. Het is de directeur die instaat voor de toewijzing van deze arbeid en dit aan de gedetineerden die om arbeid hebben verzocht. Ook het ontnemen van werk is een beslissing die in principe toekomt aan de directeur. De Basiswet voorziet niet in een specifieke procedure voor de afzetting van werk van een gedetineerde.
De klachtencommissie stelt vast dat de directie de ordemaatregel schriftelijk motiveerde. Ook werd voldaan aan de vereiste dat de motivering moet toelaten dat de gedetineerde begrijpt waarom hij niet langer als geschikt wordt beschouwd voor de arbeidspost. De beslissing tot afzetting van werk is dus niet onwettig. De beslissing is daarnaast niet onredelijk of onbillijk. De klacht is bijgevolg ongegrond.