TUCHT - KWALIFICATIE INBREUK - VERBODEN SUBSTANTIES
Klager dient klacht in tegen een tuchtbeslissing die hij opgelegd kreeg op basis van een geurwaarneming. De geur werd beschreven als naar buiten komend ter hoogte van cel nr. 408. Bovendien werd ze door een ander personeelslid bevestigd. Dat deze vaststelling niet verder geverifieerd werd aan de hand van een celcontrole (omwille van het uur waarop de feiten zich voordeden), doet geen afbreuk aan deze vaststelling. Gelet hierop is de klachtencommissie van oordeel dat de directie de feiten redelijkerwijze als bewezen kon verklaren.
De directie kwalificeerde de feiten ten eerste als het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd. De directie kwalificeerde de feiten ten tweede als het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). Aangezien de directie niet motiveert in welke zin de feiten een inbreuk op het huishoudelijk reglement uitmaken noch verwijst naar de concrete regel uit het huishoudelijk reglement die door klager overtreden werd, oordeelt de klachtencommissie dat de tuchtbeslissing op dit punt niet voldoet aan artikel 144, §6, tweede lid j° artikel 8 Basiswet. Deze inbreuk dient dan ook geschrapt te worden.
Klager pleegde één inbreuk van de eerste categorie en kreeg 7 dagen ATV. De klachtencommissie acht deze sanctie, ook na schrapping van de inbreuk van de tweede categorie (zie hierboven), wettelijk en redelijk.
De klacht is gedeeltelijk gegrond.
- De klachtencommissie beslist tot de gedeeltelijke vernietiging (artikel 158, §3, 3° Basiswet) van de tuchtbeslissing voor wat betreft de inbreuk van artikel 130, 2° Basiswet.
- De tuchtbeslissing blijft overeind voor wat betreft de inbreuk van artikel 129, 7° Basiswet, de motivering en de opgelegde tuchtsanctie van 7 dagen ATV.
Klager dient klacht in tegen een tuchtbeslissing die hij opgelegd kreeg op basis van een geurwaarneming. De geur werd beschreven als naar buiten komend ter hoogte van cel nr. 408. Bovendien werd ze door een ander personeelslid bevestigd. Dat deze vaststelling niet verder geverifieerd werd aan de hand van een celcontrole (omwille van het uur waarop de feiten zich voordeden), doet geen afbreuk aan deze vaststelling. Gelet hierop is de klachtencommissie van oordeel dat de directie de feiten redelijkerwijze als bewezen kon verklaren.
De directie kwalificeerde de feiten ten eerste als het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd. De directie kwalificeerde de feiten ten tweede als het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). Aangezien de directie niet motiveert in welke zin de feiten een inbreuk op het huishoudelijk reglement uitmaken noch verwijst naar de concrete regel uit het huishoudelijk reglement die door klager overtreden werd, oordeelt de klachtencommissie dat de tuchtbeslissing op dit punt niet voldoet aan artikel 144, §6, tweede lid j° artikel 8 Basiswet. Deze inbreuk dient dan ook geschrapt te worden.
Klager pleegde één inbreuk van de eerste categorie en kreeg 7 dagen ATV. De klachtencommissie acht deze sanctie, ook na schrapping van de inbreuk van de tweede categorie (zie hierboven), wettelijk en redelijk.
De klacht is gedeeltelijk gegrond.
- De klachtencommissie beslist tot de gedeeltelijke vernietiging (artikel 158, §3, 3° Basiswet) van de tuchtbeslissing voor wat betreft de inbreuk van artikel 130, 2° Basiswet.
- De tuchtbeslissing blijft overeind voor wat betreft de inbreuk van artikel 129, 7° Basiswet, de motivering en de opgelegde tuchtsanctie van 7 dagen ATV.