Ga verder naar de inhoud

KC17/26-0013

Gegrond KC - Leuven Hulp Klachtencommissie Tucht
TUCHT - TOEREKENBAARHEID - TEGEMOETKOMING

Klager heeft klacht ingediend omdat hij tuchtrechtelijk gesanctioneerd werd wegens “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen”.

• Met betrekking tot het bewezen zijn van de feiten en de kwalificatie
In eerste instantie meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk werd opgesteld. De klachtencommissie is ook van oordeel dat klager geen overtuigende elementen heeft aangevoerd waaruit de klachtencommissie kan afleiden dat het rapport geen correcte weergave zou zijn van de feiten. Aangezien klager alleen op cel verblijft en de fles met het brouwsel op zijn cel tegen de radiator is gevonden, hecht de klachtencommissie geen geloofwaardigheid aan de stelling van klager dat dit niet van hem zou zijn. De directie heeft afdoende gemotiveerd waarom de feiten een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakten.

• Met betrekking tot de toerekenbaarheid
De klachtencommissie wijst op het belang van de individuele toerekenbaarheid aan de gedetineerde, in die zin dat de directeur eerst moet nagaan of een gedetineerde wel verantwoordelijk geacht kan worden voor bepaalde feiten en of hij/zij op het moment van het plegen van de tuchtinbreuk wel helder en bewust was. Met andere woorden moet worden nagegaan of de gedetineerde over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte op het moment van de feiten en of hij/zij er bewust voor gekozen heeft om de feiten te stellen. Deze voorafgaande beoordeling is in het bijzonder van belang in het geval van geïnterneerden, zoals hier het geval is. Een geïnterneerde is immers op grond van een beslissing van een rechter – daarin geadviseerd door een forensisch psychiatrisch deskundige – ontoerekeningsvatbaar verklaard, omdat hij/zij “op het ogenblik van de beslissing aan een geestesstoornis lijdt die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden tenietdoet of ernstig aantast.” Eenmaal tot internering werd beslist, moet de psychische problematiek van de geïnterneerde bovendien voldoende uitgesproken zijn om de vrijheidsberoving te kunnen blijven rechtvaardigen.

Naar aanleiding van uitspraken van verschillende klachtencommissies en beide beroepscommissies omtrent tuchtbeslissingen ten aanzien van geïnterneerden, bezorgde het directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen op 2 december 2022 instructies aan de lokale gevangenisdirecties omtrent het tuchtregime van geïnterneerde personen. Deze instructies stellen dat, indien de directeur op basis van alle info waarover hij beschikt van oordeel is dat de geïnterneerde verantwoordelijk is voor de gepleegde inbreuken, hij in de tuchtbeslissing motiveert waarom hij de persoon verantwoordelijk acht voor zijn daden. Indien de directeur van oordeel is dat hij niet over voldoende gegevens beschikt om dit te beoordelen, vraagt hij een advies van de PSD-psychiater. Aangezien klager geïnterneerd is, moet de directeur in de motivering de elementen opnemen op basis waarvan hij de geïnterneerde verantwoordelijk acht voor zijn daden. De vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen.

De klachtencommissie stelt vast dat de directie nergens in de tuchtbeslissing motiveert waarom zij klager verantwoordelijk acht voor zijn daden door te beoordelen of klager op het moment van de feiten bewust en helder was en over een vrije wil en oordeelsvermogen beschikte. De klachtencommissie is bijgevolg van oordeel dat de tuchtbeslissing niet naar recht gemotiveerd werd. Om deze redenen is de klacht gegrond.