Ga verder naar de inhoud

KC20/23-0040

Gegrond KC - Mechelen Klachtencommissie Tucht
TUCHT - RECHT VAN VERDEDIGING - BIJSTAND ADVOCAAT

Conform de Basiswet en Collectieve Brief nr. 124 van 6 september 2013 werd klager in kennis gesteld over de ten laste gelegde feiten waarover hij zou gehoord worden. De klachtencommissie stelt vast dat op het exemplaar van de gevangenisadministratie van het formulier “mededeling aan de gedetineerde inzake de tuchtprocedure” staat geschreven dat klager bijstand wenst van zijn advocaat en dat bovendien de naam van zijn advocaat alsook haar telefoonnummer werd genoteerd. De klachtencommissie stelt vervolgens vast dat ondanks de gevraagde bijstand van een advocaat, er geen advocaat aanwezig was tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting. Op basis van het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting meent de klachtencommissie dat klager nogmaals aangaf dat hij graag de bijstand wenste van een raadsman. De zitting werd echter niet uitgesteld. Teneinde te beoordelen of de opgegeven raadsman regelmatig werd opgeroepen voor de hoorzitting, heeft de klachtencommissie aan het klachtenbureau van de gevangenis gevraagd om de uitnodiging te bezorgen aangezien deze ontbrak in het tuchtdossier. Na hierover drie keer te zijn gerappelleerd, liet het klachtenbureau weten dat “er geen uitnodiging voor zijn advocaat te vinden is in zijn dossier.” De klachtencommissie besluit hieruit dat de advocaat van klager niet werd opgeroepen voor de tuchtrechtelijke hoorzitting. De tuchtbeslissing werd bijgevolg genomen in strijd met het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en artikel 144, §4 van de Basiswet. De klacht is gegrond. De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing.