Ga verder naar de inhoud

KC20/24-0028

Ongegrond Gegrond KC - Mechelen Klachtencommissie Andere beslissing directeur Tucht Fouille op het lichaam
FOUILLE LICHAAM - TUCHT - RECHTEN VAN VERDEDIGING - HERKWALIFICATIE

De klacht is drieledig en betreft:
1. een beslissing tot fouillering op het lichaam;
2. de betekening van een beslissing;
3. een tuchtbeslissing.

1. De naaktfouille
Klager wordt op 11 april 2024 onderworpen aan een naaktfouille.
De beslissing wordt als volgt gemotiveerd:
“geraakte niet door de MDP.”
De klachtencommissie meent dat deze motivering volstaat. De gedetineerden weten dat zij bij bepaalde verplaatsingen in de gevangenis door de MDP moeten en hebben steeds de mogelijkheid om hun zakken voorafgaandelijk spontaan leeg te maken.
Om deze reden is de klacht niet gegrond.

2. De betekening van de fouillebeslissing
Klager beklaagt zich over de gebrekkige kennisgeving van de beslissing tot fouillering op het lichaam van 11 april 2024.
De door de Basiswet vastgestelde termijn van 24 uur is slechts een termijn van orde, waardoor de laattijdige betekening op zichzelf niet de nietigheid van de beslissing met zich meebrengt. Bovendien meent de klachtencommissie dat klager niet aantoont waarom de laattijdige betekening an sich hem schade zou hebben toegebracht.
Om deze redenen is de klacht niet gegrond.

3. De tuchtbeslissing
Het tuchtdossier bevat een RAD dat op 11 april 2024 werd opgesteld door een beambte. Dit luidt als volgt: “Bovengenoemde riep tijdens de wandeling een aantal dingen naar [medegedetineerde]. Als reactie hierop heeft bovengenoemde klappen gekregen in het gelaat. Bovengenoemde werd tot 3 maar toe naar binnen geroepen maar weigerde dit.”
De feiten werden gekwalificeerd als ‘de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee’, ‘de opzettelijke aantasting van de orde’, ‘het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen’ en ‘het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel’. De klachtencommissie is echter van oordeel dat op basis van de vaststellingen in het rapport, de feiten geherkwalificeerd moeten worden naar ‘het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden’ daar het op basis van het RAD niet bewezen is dat klager zelf heeft geslagen. Het is wel voldoende bewezen dat klager een belediging heeft geroepen naar de medegedetineerde waarop deze klager heeft geslagen. Uit het tuchtverhoor blijkt immers dat klager niet ontkent naar de medegedetineerde iets te hebben geroepen in de zin van ‘pedofiel’, hij zegt enkel dat het een misverstand betreft.

Om deze redenen is de klacht kennelijk gedeeltelijk gegrond. De klachtencommissie zegt dat haar uitspraak in de plaats treedt en de feiten gekwalificeerd dienen te worden als ‘het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden’.

Gelet op alle elementen van het dossier, is de klachtencommissie van oordeel dat een sanctie van vijf dagen ATV voor deze inbreuk redelijk en billijk is.