KC20/24-0072
Gegrond
Onontvankelijk
KC - Mechelen
Klachtencommissie
Bijzondere veiligheidsmaatregel
Tucht
Geen beslissing directeur
TUCHT - BEVOEGDHEID - BIJZONDERE VEILIGHEIDSMAATREGEL - MOTIVERING - PERSONEEL - BEVOEGDHEID
De klacht betreft een tuchtbeslissing, de verlenging van een bijzondere veiligheidsmaatregel en het gedrag van het personeel.
Wat betreft de klacht over de tuchtbeslissing:
Klager brengt zijn klacht niet in verband met een beslissing die door of namens de gevangenisdirecteur ten aanzien van hem werd genomen. Er is volgens de directie geen sprake van een tuchtbeslissing ten aanzien van klager. De klacht is niet-ontvankelijk.
Wat betreft de klacht over de bijzondere veiligheidsmaatregel:
De feiten die aanleiding geven tot de BVM (door de directie omschreven als “herhaaldelijk zicht belemmeren”, “negeren bevelen personeel, “nachtlawaai”, etc.), zijn feiten die ook aanleiding kunnen geven tot een tuchtprocedure. Het is mogelijk dat de directie in een dergelijke situatie een BVM oplegt, wanneer zij enkel tot doel heeft om preventief een gevaar voor de orde of de veiligheid aan te pakken.
De klachtencommissie is van oordeel dat in de voorliggende situatie geen BVM, maar wel een tuchtsanctie had moeten worden opgelegd. Zij verwijst immers enkel naar feiten die zich hebben voorgedaan, maar geeft niet aan waarom deze BVM noodzakelijk zou zijn voor de orde of de
veiligheid. De klachtencommissie meent bovendien dat de bijzondere veiligheidsmaatregel werd opgelegd als een verdoken tuchtsanctie. Dit wordt duidelijk door de motivering van de BVM. De BVM werd enkel gemotiveerd met een loutere verwijzing naar de RAD, oftewel met verwijzing naar feiten die zich reeds hebben voorgedaan. Dit wijst erop dat men eerder een sanctie voor ogen had en gaat voorbij aan het preventieve karakter van een BVM. De rechten van verdediging van klager werden geschonden door de keuze voor een BVM. Om deze redenen is de klacht tegen de bijzondere veiligheidsmaatregel gegrond. De klachtencommissie vernietigt de bijzondere veiligheidsmaatregel.
Wat betreft de klacht over het personeel:
Klager verwijst naar het gedrag van een beambte en brengt zijn klacht niet in verband met een beslissing die door of namens de directie ten aanzien van hem werd genomen. Klager vermeldt ook niet dat hij de situatie reeds aankaartte bij de directie of dat hij de directie om een beslissing heeft gevraagd. Om deze reden is de klacht niet-ontvankelijk.
De klacht betreft een tuchtbeslissing, de verlenging van een bijzondere veiligheidsmaatregel en het gedrag van het personeel.
Wat betreft de klacht over de tuchtbeslissing:
Klager brengt zijn klacht niet in verband met een beslissing die door of namens de gevangenisdirecteur ten aanzien van hem werd genomen. Er is volgens de directie geen sprake van een tuchtbeslissing ten aanzien van klager. De klacht is niet-ontvankelijk.
Wat betreft de klacht over de bijzondere veiligheidsmaatregel:
De feiten die aanleiding geven tot de BVM (door de directie omschreven als “herhaaldelijk zicht belemmeren”, “negeren bevelen personeel, “nachtlawaai”, etc.), zijn feiten die ook aanleiding kunnen geven tot een tuchtprocedure. Het is mogelijk dat de directie in een dergelijke situatie een BVM oplegt, wanneer zij enkel tot doel heeft om preventief een gevaar voor de orde of de veiligheid aan te pakken.
De klachtencommissie is van oordeel dat in de voorliggende situatie geen BVM, maar wel een tuchtsanctie had moeten worden opgelegd. Zij verwijst immers enkel naar feiten die zich hebben voorgedaan, maar geeft niet aan waarom deze BVM noodzakelijk zou zijn voor de orde of de
veiligheid. De klachtencommissie meent bovendien dat de bijzondere veiligheidsmaatregel werd opgelegd als een verdoken tuchtsanctie. Dit wordt duidelijk door de motivering van de BVM. De BVM werd enkel gemotiveerd met een loutere verwijzing naar de RAD, oftewel met verwijzing naar feiten die zich reeds hebben voorgedaan. Dit wijst erop dat men eerder een sanctie voor ogen had en gaat voorbij aan het preventieve karakter van een BVM. De rechten van verdediging van klager werden geschonden door de keuze voor een BVM. Om deze redenen is de klacht tegen de bijzondere veiligheidsmaatregel gegrond. De klachtencommissie vernietigt de bijzondere veiligheidsmaatregel.
Wat betreft de klacht over het personeel:
Klager verwijst naar het gedrag van een beambte en brengt zijn klacht niet in verband met een beslissing die door of namens de directie ten aanzien van hem werd genomen. Klager vermeldt ook niet dat hij de situatie reeds aankaartte bij de directie of dat hij de directie om een beslissing heeft gevraagd. Om deze reden is de klacht niet-ontvankelijk.