KC20/24-0076
Gegrond
Onontvankelijk
KC - Mechelen
Klachtencommissie
Andere beslissing directeur
Tucht
Geen beslissing directeur
TUCHT - GEEN BESLISSING DIRECTEUR - UITVOERING BIJZONDERE VEILIGHEIDSMAATREGEL - MEDISCH - GEZONDHEID
De klacht is gericht tegen:
- een tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Mechelen;
- het gegeven dat klager vier dagen zonder bestek heeft moeten eten;
- het verzuim om medische hulp te verlenen.
Klager duidt op zijn klachtenformulier aan dat hij klacht indient tegen een tuchtbeslissing. Uit het dossier blijkt dat de directie geen tuchtbeslissing heeft genomen ten aanzien van klager. Er is dus geen sprake van een beslissing van de directeur ten aanzien van hem, noch van een verzuim om een beslissing te nemen.
De klacht is aldus niet-ontvankelijk.
Klager schrijft dat hij gedurende vier dagen dat hij onderworpen was aan een bijzondere veiligheidsmaatregel, geen bestek heeft ontvangen. De directie kadert het ontnemen van bestek (buiten de maaltijden) in de bijzondere veiligheidsmaatregel die aan klager was opgelegd, meer specifiek de maatregel van het ontnemen van scherpe voorwerpen op cel (KC20/24-0056, KC20/24-0060 en KC20/24-0069). Zij schrijft dat, “ingeval betrokkene zoals hij beweert 4 dagen zonder bestek zou gegeten hebben”, dit geen geïndividualiseerde beslissing van de directie betreft en de klacht aldus niet-ontvankelijk is.
Artikel 113, §2, 1° van de Basiswet bepaalt echter dat de directeur er, in het kader van een bijzondere veiligheidsmaatregel (meer specifiek tijdens het verblijf in een beveiligde cel of de toegewezen verblijfsruimte), er zorg voor draagt dat de gedetineerde de maaltijden kan gebruiken onder betamelijke omstandigheden. Het is dus de verantwoordelijkheid van de directie om erop toe te zien dat klager bestek aangeboden krijgt tijdens de maaltijden.
De klacht is aldus ontvankelijk.
De klachtencommissie merkt op dat de directie de beweringen van klager niet ontkent, en zich beperkt tot het stellen dat “ingeval betrokkene zoals hij beweert 4 dagen zonder bestek zou gegeten hebben”, dit alleszins geen geïndividualiseerde beslissing van de directie betreft. Zij kan dus niet bevestigen dat klager wél steeds bestek heeft gekregen.
De klachtencommissie meent dat klager zijn bewering aannemelijk maakt.
Het niet voorzien van bestek tijdens de maaltijden die een gedetineerde krijgt aangeboden (in casu specifiek in de context van een bijzondere veiligheidsmaatregel), is een schending van de zorgplicht van de directie ten aanzien van de gedetineerde opgelegd door artikel 113 van de Basiswet.
Om deze reden is de klacht gegrond.
Klager schrijft in zijn klacht dat hij geen medische hulp krijgt. De klachtencommissie is niet bevoegd om klachten van medische aard te behandelen aangezien hieraan geen beslissingen van de directeur ten grondslag liggen. Medische beslissingen zijn de exclusieve bevoegdheid van de arts van de inrichting.
De klacht is niet-ontvankelijk.
De klacht is gericht tegen:
- een tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Mechelen;
- het gegeven dat klager vier dagen zonder bestek heeft moeten eten;
- het verzuim om medische hulp te verlenen.
Klager duidt op zijn klachtenformulier aan dat hij klacht indient tegen een tuchtbeslissing. Uit het dossier blijkt dat de directie geen tuchtbeslissing heeft genomen ten aanzien van klager. Er is dus geen sprake van een beslissing van de directeur ten aanzien van hem, noch van een verzuim om een beslissing te nemen.
De klacht is aldus niet-ontvankelijk.
Klager schrijft dat hij gedurende vier dagen dat hij onderworpen was aan een bijzondere veiligheidsmaatregel, geen bestek heeft ontvangen. De directie kadert het ontnemen van bestek (buiten de maaltijden) in de bijzondere veiligheidsmaatregel die aan klager was opgelegd, meer specifiek de maatregel van het ontnemen van scherpe voorwerpen op cel (KC20/24-0056, KC20/24-0060 en KC20/24-0069). Zij schrijft dat, “ingeval betrokkene zoals hij beweert 4 dagen zonder bestek zou gegeten hebben”, dit geen geïndividualiseerde beslissing van de directie betreft en de klacht aldus niet-ontvankelijk is.
Artikel 113, §2, 1° van de Basiswet bepaalt echter dat de directeur er, in het kader van een bijzondere veiligheidsmaatregel (meer specifiek tijdens het verblijf in een beveiligde cel of de toegewezen verblijfsruimte), er zorg voor draagt dat de gedetineerde de maaltijden kan gebruiken onder betamelijke omstandigheden. Het is dus de verantwoordelijkheid van de directie om erop toe te zien dat klager bestek aangeboden krijgt tijdens de maaltijden.
De klacht is aldus ontvankelijk.
De klachtencommissie merkt op dat de directie de beweringen van klager niet ontkent, en zich beperkt tot het stellen dat “ingeval betrokkene zoals hij beweert 4 dagen zonder bestek zou gegeten hebben”, dit alleszins geen geïndividualiseerde beslissing van de directie betreft. Zij kan dus niet bevestigen dat klager wél steeds bestek heeft gekregen.
De klachtencommissie meent dat klager zijn bewering aannemelijk maakt.
Het niet voorzien van bestek tijdens de maaltijden die een gedetineerde krijgt aangeboden (in casu specifiek in de context van een bijzondere veiligheidsmaatregel), is een schending van de zorgplicht van de directie ten aanzien van de gedetineerde opgelegd door artikel 113 van de Basiswet.
Om deze reden is de klacht gegrond.
Klager schrijft in zijn klacht dat hij geen medische hulp krijgt. De klachtencommissie is niet bevoegd om klachten van medische aard te behandelen aangezien hieraan geen beslissingen van de directeur ten grondslag liggen. Medische beslissingen zijn de exclusieve bevoegdheid van de arts van de inrichting.
De klacht is niet-ontvankelijk.