TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES
De klacht is gericht tegen de tuchtbeslissing van 4 september 2024 van de directie van de gevangenis van Mechelen.
Klager en blijkbaar ook zijn celgenoot ontkennen dat zij iets te maken hebben met de drugs gevonden in hun cel. Klager en zijn celgenoot verbleven op het moment van de feiten nochtans reeds sedert een tweetal maanden (sinds 4 juli 2024) op de cel in kwestie. Zijn bewering dat hij niets wist van de drugs is niet aannemelijk. De substantie werd immers gevonden op de tafel (!), die dagelijks gebruikt wordt door beide celgenoten. Redelijkerwijs kan dus niets anders worden aangenomen dan dat klager er minstens van op de hoogte was dat de kwestieuze substantie er was. Bovendien heeft hij geen enkel initiatief genomen om de directie op een discrete manier in te lichten of om te vragen om een celmutatie. In die zin is er minstens sprake van een deelneming in de zin van artikel 131 van de Basiswet. Dit artikel voorziet immers dat deelneming aan een tuchtrechtelijke inbreuk wordt gestraft met dezelfde straffen als de tuchtrechtelijke inbreuk zelf.
Drugs zijn een gekend probleem binnen de gevangenis en vormen een belangrijk gevaar voor de interne veiligheid binnen de gevangenis, zowel voor personeelsleden als voor gedetineerden. De directie is verantwoordelijk voor het behoud en beschermen van de veiligheid, zodat zij hiertegen adequaat moet kunnen optreden. Dit alles in aanmerking nemend is de Klachtencommissie van oordeel dat de directie haar discretionaire bevoegdheid niet heeft overschreden in het bewezen achten van de feiten en de toerekening hiervan aan klager. Er zijn immers voldoende elementen die erop wijzen dat hij minstens betrokken was bij het plegen van deze tuchtinbreuk .
De directie gaf een sanctie van 10 dagen ATV. Het bezit van verboden middelen is een inbreuk van de eerste categorie, waar men volgens art. 132°3 van de Basiswet tot 30 dagen ATV voor kan opleggen. Tegelijk is dit ook een inbreuk op het huishoudelijk reglement, waarvoor een sanctie van maximaal 15 dagen ATV kan worden opgelegd. De sanctie is bijgevolg binnen de grenzen van de wet en gelet op de ernst van de inbreuk ook binnen de grenzen van de redelijkheid en billijkheid.
Om deze redenen is de klacht niet gegrond.
De klacht is gericht tegen de tuchtbeslissing van 4 september 2024 van de directie van de gevangenis van Mechelen.
Klager en blijkbaar ook zijn celgenoot ontkennen dat zij iets te maken hebben met de drugs gevonden in hun cel. Klager en zijn celgenoot verbleven op het moment van de feiten nochtans reeds sedert een tweetal maanden (sinds 4 juli 2024) op de cel in kwestie. Zijn bewering dat hij niets wist van de drugs is niet aannemelijk. De substantie werd immers gevonden op de tafel (!), die dagelijks gebruikt wordt door beide celgenoten. Redelijkerwijs kan dus niets anders worden aangenomen dan dat klager er minstens van op de hoogte was dat de kwestieuze substantie er was. Bovendien heeft hij geen enkel initiatief genomen om de directie op een discrete manier in te lichten of om te vragen om een celmutatie. In die zin is er minstens sprake van een deelneming in de zin van artikel 131 van de Basiswet. Dit artikel voorziet immers dat deelneming aan een tuchtrechtelijke inbreuk wordt gestraft met dezelfde straffen als de tuchtrechtelijke inbreuk zelf.
Drugs zijn een gekend probleem binnen de gevangenis en vormen een belangrijk gevaar voor de interne veiligheid binnen de gevangenis, zowel voor personeelsleden als voor gedetineerden. De directie is verantwoordelijk voor het behoud en beschermen van de veiligheid, zodat zij hiertegen adequaat moet kunnen optreden. Dit alles in aanmerking nemend is de Klachtencommissie van oordeel dat de directie haar discretionaire bevoegdheid niet heeft overschreden in het bewezen achten van de feiten en de toerekening hiervan aan klager. Er zijn immers voldoende elementen die erop wijzen dat hij minstens betrokken was bij het plegen van deze tuchtinbreuk .
De directie gaf een sanctie van 10 dagen ATV. Het bezit van verboden middelen is een inbreuk van de eerste categorie, waar men volgens art. 132°3 van de Basiswet tot 30 dagen ATV voor kan opleggen. Tegelijk is dit ook een inbreuk op het huishoudelijk reglement, waarvoor een sanctie van maximaal 15 dagen ATV kan worden opgelegd. De sanctie is bijgevolg binnen de grenzen van de wet en gelet op de ernst van de inbreuk ook binnen de grenzen van de redelijkheid en billijkheid.
Om deze redenen is de klacht niet gegrond.