Ga verder naar de inhoud

KC20/25-0042

Gegrond Onontvankelijk KC - Mechelen Klachtencommissie Voorlopige maatregel Geen beslissing directeur
GEEN BESLISSING DIRECTEUR - VOORLOPIGE MAATREGEL

De klacht betreft een voorlopige maatregel en het feitelijk handelen van een beambte in de gevangenis van Mechelen.

Over het feitelijk handelen van een beambte: de klacht gaat over beweerdelijk feitelijk handelen van een personeelslid dat niet in verbinding kan worden gebracht met een beslissing van de directeur. Uit de klacht blijkt niet dat klager de directie hierover heeft aangesproken en dat zij heeft nagelaten om dit voorval te onderzoeken, waardoor er ook geen sprake is van een verzuim van de directie. De klacht is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.

Over de voorlopige maatregel: de directeur kan een voorlopige maatregel nemen in afwachting van de tuchtprocedure. Een voorlopige maatregel mag niet worden genomen met de bedoeling om onmiddellijk te straffen. In het geval van de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid kan de directeur beslissen om voorlopige maatregelen op te leggen.

De klachtencommissie stelt vast dat de beslissing tot het opleggen van de voorlopige maatregel door een personeelslid ‘i.o.” van de directeur ondertekend werd en niet door de directie zelf. In de Collectieve Brief nr. 124 van 6 september 2013 (p. 14) wordt bepaald dat, wanneer de situatie van gevaar geen enkel uitstel duldt, ook andere personeelsleden deze beslissing kunnen nemen, mits onmiddellijke kennisgeving ervan aan de directeur, die dan een beslissing neemt.

Uit een beslissing van de beroepscommissie blijkt echter dat een dergelijke delegatie aan ander personeel in de Basiswet enkel bij bijzondere veiligheidsmaatregelen en niet in het kader van tucht wordt voorzien. Volgens de beroepscommissie zou DG EPI haar instructies, dus ook bovenstaande bepaling van de Collectieve Brief, daardoor moeten aanpassen.

Los van de vraag of de directie de inschatting kon maken of in deze zaak überhaupt sprake was van een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid die een voorlopige maatregel ten aanzien van klager rechtvaardigde, blijkt uit de beschikbare stukken dat de voorlopige maatregel niet werd bevolen door de directie, maar door een ander personeelslid. De voorlopige maatregel werd dus niet opgelegd volgens de vereisten van artikel 145 van de Basiswet. Om deze redenen is de klacht gegrond.