Ga verder naar de inhoud

KC20/25-0064

Ongegrond Gegrond KC - Mechelen Klachtencommissie Voorlopige maatregel Tucht Fouille op het lichaam
FOUILLERING - VM - TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES

De klachtencommissie stelt vast dat klager enkel de wijze van uitvoering van de fouillering op het lichaam betwist, en meer specifiek het feit dat hij tussen de twee fouilleringen 10 à 15 minuten naakt moest wachten.
Uit het verweer van de directie blijkt duidelijk dat klager te allen tijde tijdens het moment van wachten een handdoek ter beschikking had. Bovendien is heeft het fouilleringslokaal kleedhokjes waarachter klager kon staan zodat het zicht op de te fouilleren persoon tot een minimum beperkt wordt. Uit navraag bij het betrokken personeelslid blijkt dat klager tijdens het wachten zijn kleren terug heeft aangedaan. De klachtencommissie is bijgevolg van oordeel dat de fouillering overeenkomstig de richtlijnen van Collectieve Brief nr. 141 van 30 januari 2017, Bijlage 3 wettig werd uitgevoerd.

De directie heeft daarnaast een voorlopige maatregel opgelegd omdat zij van oordeel was dat de interne veiligheid ernstig en opzettelijk was aangetast. De klachtencommissie is van oordeel dat nergens uit de motivering van de voorlopige maatregel blijkt waarom de fysieke integriteit van personen bedreigd zou zijn geweest of waarom roerende of onroerende goederen gevaar zouden hebben gelopen voor wederrechtelijke beschadiging, vernieling of ontvreemding. Uit de motivering van de voorlopige maatregel stelt de directie dat er een gevaar was voor de orde en veiligheid, maar toch werd de voorlopige maatregel opgelegd wegens “de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid”. De klachtencommissie is van oordeel dat de beslissing tot het opleggen van de voorlopige maatregel daarom onwettig was. Om deze redenen is de klacht gegrond. De klachtencommissie geen tegemoetkoming toe.

Tot slot betwist klager de opgelegde tuchtsanctie. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting geeft klager zelf toe dat hij de blaadjes van een vriend op de wandeling heeft gekregen en dat hij het personeel heeft uitgedaagd. Het feit dat tijdens de fouilleringen op het lichaam niets gevonden werd, belet niet dat de directie de tuchtinbreuk “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties” niet bewezen kon verklaren. Twee beambten hebben immers waargenomen dat klager een verdachte substantie had op zijn monocel en dit vervolgens in zijn onderbroek heeft weggestoken. Dit werd ook gedetailleerd in het RAD beschreven. De directie heeft uitvoerig en afdoende gemotiveerd waarom de feiten een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakten. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager.