Ga verder naar de inhoud

KC20/26-0028

Gegrond KC - Mechelen Klachtencommissie Tucht
TUCHT - VERBODEN VOORWERPEN - KWALIFICATIE INBREUK

Klager dient klacht in omdat hij tuchtrechtelijk gesanctioneerd werd wegens “het bezit of gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken”, een tuchtinbreuk van de eerste categorie , en wegens “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen”, een inbreuk van de tweede categorie.

Wat betreft de tuchtrechtelijke inbreuk van de eerste categorie, namelijk “het bezit of gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken” is de klachtencommissie van oordeel dat deze inbreuk geenszins bewezen is. Uit het RAD blijkt immers enkel dat klager een beambte heeft gevraagd of zij toevallig een gsm verkoopt, maar klager op dat moment niet in het bezit was van een gsm, noch technologische middelen heeft gebruikt die de onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken. Het vragen naar een gsm houdt geen bezit of gebruik ervan in, waardoor de directie deze tuchtinbreuk anders had moeten kwalificeren. De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing in zoverre de feiten gekwalificeerd worden als “het bezit of gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken”.

De klachtencommissie is echter van oordeel dat deze feiten wel degelijk een tuchtrechtelijke inbreuk van de tweede categorie uitmaken, namelijk “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen”. In eerste instantie meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk werd opgesteld. De klachtencommissie is ook van oordeel dat klager geen overtuigende elementen heeft aangevoerd waaruit de klachtencommissie kan afleiden dat het rapport geen correcte weergave zou zijn van de feiten. Klager heeft immers geweigerd om gehoord te worden op de tuchtrechtelijke hoorzitting. De directie heeft afdoende gemotiveerd waarom de feiten deze tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakten. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager.

De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van zeven dagen ATV. Voor een tuchtinbreuk van tweede categorie is de wettelijk toegestane maximumsanctie vijftien dagen ATV. De klachtencommissie stelt echter vast dat uit het tuchtregister van klager blijkt dat hij deze feiten op 03/04/2026 heeft gepleegd terwijl hij nog onder ATV zat voor een eerdere tuchtsanctie. Klager zat immers van 30/03/2026 tot en met 24/04/2026 onder ATV wegens de eerdere tuchtbeslissing van 01/04/2026, waarbij hij 25 dagen ATV kreeg. De klachtencommissie merkt op dat klager door de nieuwe tuchtbeslissing in totaal 32 dagen onder ATV zou zitten (25 dagen voor de tuchtbeslissing van 01/04/2026 + 7 dagen voor de tuchtbeslissing van 09/04/2026). Aangezien er geen sprake is van een zware aanslag op de fysieke integriteit van een persoon, is dit in strijd met artikel 142 van de Basiswet. Dat artikel bepaalt immers uitdrukkelijk dat een verlenging van een periode van ATV enkel mogelijk is in zoverre de totale periode de 30 dagen niet overschrijdt.

De directie had in voorliggend dossier dus een maximale tuchtsanctie van 5 dagen ATV kunnen opleggen, zodat de periode van afzondering de 30 dagen niet te boven zou gaan. Om deze redenen en gelet op het feit dat de klachtencommissie de tuchtinbreuk van de eerste categorie vernietigt, zoals hierboven uiteengezet werd, besluit de klachtencommissie om de tuchtsanctie te herleiden naar 5 dagen ATV.