TUCHT - VERMOEDEN VAN ONSCHULD - SANCTIE
De klachtencommissie heeft kennisgenomen van de dossierstukken. Er werd een rapport aan de directeur (RAD) opgemaakt waarin werd meegedeeld dat tijdens een celcontrole in de kast tegen de buitenmuur een gat gevonden was richting de cel die ernaast gelegen was. De directeur nam kennis van het RAD en startte een tuchtprocedure op. Uit het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting blijkt dat klager heeft verklaard dat hij daar niets mee te maken had. Toen zijn vorige celgenoot er nog was, hebben ze nooit een celcontrole gekregen. Er is toen ook geen celstaat opgemaakt. Klager verblijft er zelf nog maar recent dus hij heeft het gat niet gemaakt. Volgens de directie heeft klager de celstaat wel ondertekend waardoor het zijn verantwoordelijkheid is. Volgens klager werd de kast gebruikt door zijn vorige celgenoot. De vaststellingen zijn volgens de directie duidelijk. De klachtencommissie twijfelt ook niet aan de vaststelling dat er een gat in de muur werd aangetroffen tijdens het openen van de kast. Volgens de directie is er sprake van een opzettelijke en doelbewuste beschadiging van de muur met de intentie om verboden voorwerpen te verstoppen. Volgens de directie was klager minstens op de hoogte van het gat in de muur. Een gedetineerde kan alleen tuchtrechtelijk gesanctioneerd worden wanneer de directeur, op grond van al het bewijsmateriaal waarover hij beschikt, de ten laste gelegde feiten bewezen acht en de daarvoor ter verantwoording geroepen gedetineerde daaraan schuldig acht. De klachtencommissie is op de hoogte dat klager niet alleen in de cel verbleef en de cel deelde met minstens één gedetineerde omdat deze celgenoot ook klacht heeft ingediend tegen de tuchtbeslissing. Beide gedetineerden werden aldus gesanctioneerd zonder dat de directie in de motivering van de tuchtbeslissing heeft vermeld waarom zij van oordeel was dat beide gedetineerden of één van beiden het gat in de muur hadden gemaakt. Integendeel, de directie heeft op het einde van de motivering vermeld dat er onvoldoende uitsluitsel is over het concrete aandeel van klager. Dus hoewel de schuld van klager niet bewezen is, werd toch een voorwaardelijke sanctie opgelegd. Dit is in strijd met de Basiswet en het vermoeden van onschuld. Indien de feiten niet bewezen zijn, kan er geen sanctie opgelegd worden. De klacht is bijgevolg gegrond. De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing. Aangezien er een voorwaardelijke tuchtsanctie werd opgelegd, is er geen sprake van gevolgen die niet meer ongedaan gemaakt kunnen worden waardoor de klachtencommissie geen tegemoetkoming toekent.
De klachtencommissie heeft kennisgenomen van de dossierstukken. Er werd een rapport aan de directeur (RAD) opgemaakt waarin werd meegedeeld dat tijdens een celcontrole in de kast tegen de buitenmuur een gat gevonden was richting de cel die ernaast gelegen was. De directeur nam kennis van het RAD en startte een tuchtprocedure op. Uit het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting blijkt dat klager heeft verklaard dat hij daar niets mee te maken had. Toen zijn vorige celgenoot er nog was, hebben ze nooit een celcontrole gekregen. Er is toen ook geen celstaat opgemaakt. Klager verblijft er zelf nog maar recent dus hij heeft het gat niet gemaakt. Volgens de directie heeft klager de celstaat wel ondertekend waardoor het zijn verantwoordelijkheid is. Volgens klager werd de kast gebruikt door zijn vorige celgenoot. De vaststellingen zijn volgens de directie duidelijk. De klachtencommissie twijfelt ook niet aan de vaststelling dat er een gat in de muur werd aangetroffen tijdens het openen van de kast. Volgens de directie is er sprake van een opzettelijke en doelbewuste beschadiging van de muur met de intentie om verboden voorwerpen te verstoppen. Volgens de directie was klager minstens op de hoogte van het gat in de muur. Een gedetineerde kan alleen tuchtrechtelijk gesanctioneerd worden wanneer de directeur, op grond van al het bewijsmateriaal waarover hij beschikt, de ten laste gelegde feiten bewezen acht en de daarvoor ter verantwoording geroepen gedetineerde daaraan schuldig acht. De klachtencommissie is op de hoogte dat klager niet alleen in de cel verbleef en de cel deelde met minstens één gedetineerde omdat deze celgenoot ook klacht heeft ingediend tegen de tuchtbeslissing. Beide gedetineerden werden aldus gesanctioneerd zonder dat de directie in de motivering van de tuchtbeslissing heeft vermeld waarom zij van oordeel was dat beide gedetineerden of één van beiden het gat in de muur hadden gemaakt. Integendeel, de directie heeft op het einde van de motivering vermeld dat er onvoldoende uitsluitsel is over het concrete aandeel van klager. Dus hoewel de schuld van klager niet bewezen is, werd toch een voorwaardelijke sanctie opgelegd. Dit is in strijd met de Basiswet en het vermoeden van onschuld. Indien de feiten niet bewezen zijn, kan er geen sanctie opgelegd worden. De klacht is bijgevolg gegrond. De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing. Aangezien er een voorwaardelijke tuchtsanctie werd opgelegd, is er geen sprake van gevolgen die niet meer ongedaan gemaakt kunnen worden waardoor de klachtencommissie geen tegemoetkoming toekent.