Ga verder naar de inhoud

KC21/22-0062

Gegrond KC - Merksplas Klachtencommissie Ordemaatregel
ORDEMAATREGEL - BRIEFWISSELING - VERBODEN VOORWERPEN - MOTIVERING

De beslissing in voorliggend dossier om de 2 postzegels die aan klager werden toegezonden te deponeren kadert in de controle van de briefwisseling op vreemde voorwerpen of substanties zoals voorzien in artikel 55 Basiswet. In voorliggend dossier werd klager in kennis gesteld van deze beslissing aan de hand van het formulier in verband met de deponering. Klager vindt dat uit de motivering van de beslissing niet blijkt dat deze deponering volstrekt noodzakelijk is voor de handhaving van de orde of de veiligheid en is daarom van mening dat de beslissing in strijd is met artikel 55 §2 Basiswet. Hij kaart dit ook aan in een apart schrijven aan de directie, waarbij de directie hem in haar antwoord het volgende meedeelt: “Zie bladzijde 9 van het huishoudelijk reglement. Postzegels behoren niet tot de voorwerpen die binnengebracht mogen worden.” Het is echter enkel de originele motivering die ter toetsing van de klachtencommissie voorligt.

In voorliggend dossier stelt de directie in haar motivering “Postzegels mogen niet toegezonden worden via de post”. Hiermee verwijst zij naar een passage uit het huishoudelijk reglement. Het huishoudelijk reglement (p. 17) specificeert dat het niet is toegestaan om andere voorwerpen dan papierwaren via de post te ontvangen. Postzegels kunnen volgens de klachtencommissie niet beschouwd worden als loutere papierwaren nu ze een geldwaarde vertegenwoordigen. In het huishoudelijk reglement (p. 17-18) worden postzegels opgesomd bij de voorbeelden van voorwerpen die, wanneer ze via de post toekomen, omwille van redenen van orde of veiligheid, niet worden overhandigd en wordt er ook bepaald wat er dan wel mee moet gebeuren. Het feit dat postzegels worden opgesomd als voorbeeld van bijgesloten voorwerpen die om redenen van orde of veiligheid niet worden overhandigd, maakt volgens de klachtencommissie echter niet dat het huishoudelijk reglement een grondslag zou bieden om ze ook daadwerkelijk niet te overhandigen.

Artikel 55 §4 stelt dat de Koning nadere regels vaststelt met betrekking tot de controle van de aan de gedetineerde toegezonden brieven en bijgesloten voorwerpen. Artikel 12 van het Koninklijk Besluit van 8 april 2011 voegt inzake binnenkomende briefwisseling enkel toe dat de voorwerpen, tenzij er redenen zijn om deze ter beschikking te houden van de gerechtelijke overheden, onder bewaring worden genomen onder afgifte van een bewijs van ontvangst, hetgeen ook in de hierboven geciteerde passsage van het huishoudelijk reglement werd opgenomen. Ook dit Koninklijk Besluit voegt dus géén extra grondslag toe op basis waarvan de directeur bepaalde bijgesloten voorwerpen niet zou moeten bezorgen.

De klachtencommissie besluit hieruit dat artikel 55 §2 Basiswet de enige grondslag is op basis waarvan de directeur kan besluiten bijgesloten voorwerpen niet aan de gedetineerde te bezorgen. Dit impliceert dat de motivering van de deponeringsbeslissing inderdaad melding moet maken van de redenen van volstrekte noodzakelijk voor de handhaving van de orde of de veiligheid. De motivering die gegeven werd in voorliggend dossier is niet conform artikel 55 §2 Basiswet. De klacht is gegrond.