Ga verder naar de inhoud

KC21/23-0011

Gegrond KC - Merksplas Klachtencommissie Tucht
TUCHT - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID - MOTIVERING

In het voorliggend dossier heeft de directeur zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op het RAD van 7 januari 2023. Klager en zijn advocaat ontkennen ter tuchtzitting bovendien niet dat klager in het bezit was van drugs (ook al behoorde die volgens hem aan andere personen toe). De klachtencommissie vindt het redelijk dat de directie de feiten zoals opgenomen in het RAD bewezen achtte. De directie kwalificeerde de feiten als het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet). De klachtencommissie acht die kwalificatie correct en voldoende gemotiveerd. Uit het verslag van de tuchtzitting evenals uit de tuchtbeslissing zelf blijkt genoegzaam dat het om het aspect ‘bezit’ handelt.

De tweede component van artikel 144 §6 Basiswet, namelijk de vraag of de tuchtrechtelijke inbreuk ook aan de gedetineerde kan worden toegerekend, vraagt bijzondere aandacht indien de pleger van de inbreuk een geïnterneerde is. De directeur moet in de motivering de elementen opnemen op basis waarvan hij de geïnterneerde verantwoordelijk acht voor zijn daden. Dit wordt ook toegelicht in de communicatie van DG EPI d.d. 2 december 2022 over de tuchtprocedure ten aanzien van geïnterneerden. In het voorliggend dossier motiveert de directie waarom ze klager verantwoordelijk achtte voor de hem ten laste gelegde feiten aan de hand van twee elementen: (1) De directie verwijst naar de deelname aan het normale regime. Een loutere verwijzing naar de deelname van klager aan het gewone regime is niet afdoende. Dat iemand deelneemt aan het gewone regime doet geen afbreuk aan de rechterlijke uitspraken op grond waarvan hij geïnterneerd werd (cfr. RvS nr. 251.295 van 22 juli 2021). (2) De directie verwijst naar de heldere en coherente uitleg van klager ter tuchtzitting. De klachtencommissie wijst erop dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. De directie verwijst in haar motivering naar de toestand van klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting. Hiermee spreekt zij zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. De directie motiveert aldus niet afdoende waarom ze klager in het voorliggend dossier verantwoordelijk achtte voor de hem ten laste gelegde feiten. Ze spreekt zich immers niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. De motivering voldoet niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd.