TUCHT - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID - MOTIVERING
Voor het bewezen zijn van de feiten heeft de directie zich gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD van 25 juni 2023, evenals de verklaringen van klager ter tuchtzitting. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte.
De directie kwalificeerde de feiten als
- de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 2° Basiswet),
- het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet) en
- het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel (artikel 130, 3° Basiswet)
De klachtencommissie acht deze kwalificaties correct en afdoende gemotiveerd voor wat betreft de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit en het niet volgen van aanmaningen en bevelen van het personeel. De kwalificatie van het niet-naleven van de door het huishoudelijke reglement voorgeschreven bepalingen kan daarentegen niet weerhouden worden. Dat de gedetineerde de voorschriften van het huishoudelijk reglement moet eerbiedigen betreft slechts een algemene vaststelling. De directie motiveert vervolgens niet welk voorschrift van het huishoudelijk reglement concreet door klager overtreden werd.
In het voorliggend dossier motiveert de directie dat ze klager (geïnterneerd) verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten op basis van de volgende elementen:
(1) Het verweer tijdens de hoorzitting is helder en coherent. De klachtencommissie wijst er nogmaals op dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. Met een verwijzing naar de toestand van klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting spreekt de directie zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. Dit element is dan ook niet afdoende.
(2) Zijn dagelijks gedrag en functioneren toont aan dat hij zich bewust is van zijn daden/gedrag binnen detentie. Er kan volgens de klachtencommissie niet worden verwezen naar een schijnbaar constante toestand van toerekenbaarheid voor alle daden/gedrag binnen detentie, aangezien dit niet strookt met het statuut van internering. De klachtencommissie herinnert eraan dat in geval van een geïnterneerde de ontoerekenbaarheid het uitgangspunt is. Het komt aan de directie toe om te motiveren waarom ze deze specifieke feiten wél toerekenbaar acht.
(3) Uit het RAD blijkt dat betrokkene zeer coherent was op het moment van de gepleegde feiten/inbreuken. De klachtencommissie stelt vast dat de directie, door te verwijzen naar de materiële vaststellingen in het RAD, zich terecht uitspreekt over de toestand van klager op het moment van de feiten. In het voorliggend dossier acht de klachtencommissie de conclusie die de directie op basis van het RAD trok omtrent de toerekenbaarheid van de feiten echter onredelijk. De klachtencommissie ziet in het RAD een aantal aanwijzingen omtrent de geagiteerde toestand van klager. Dit doet volgens haar dan ook twijfel rijzen omtrent het gegeven of klager op het ogenblik van de feiten controle had over zijn daden. Artikel 144 §1 in fine Basiswet stelt dat de directeur zich alle nuttige informatie laat bezorgen voor de beoordeling van de zaak. In het voorliggend dossier impliceerde deze verplichting volgens de klachtencommissie dat de directie zich een advies van de arts inzake de toerekenbaarheid moest laten bezorgen, nu hier volgens de klachtencommissie op basis van de beschrijving van de feiten wel degelijk twijfel over bestaat. Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten niet afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet.
De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd. Klager krijgt als tegemoetkoming een extra douchemoment.
Voor het bewezen zijn van de feiten heeft de directie zich gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD van 25 juni 2023, evenals de verklaringen van klager ter tuchtzitting. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte.
De directie kwalificeerde de feiten als
- de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 2° Basiswet),
- het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet) en
- het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel (artikel 130, 3° Basiswet)
De klachtencommissie acht deze kwalificaties correct en afdoende gemotiveerd voor wat betreft de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit en het niet volgen van aanmaningen en bevelen van het personeel. De kwalificatie van het niet-naleven van de door het huishoudelijke reglement voorgeschreven bepalingen kan daarentegen niet weerhouden worden. Dat de gedetineerde de voorschriften van het huishoudelijk reglement moet eerbiedigen betreft slechts een algemene vaststelling. De directie motiveert vervolgens niet welk voorschrift van het huishoudelijk reglement concreet door klager overtreden werd.
In het voorliggend dossier motiveert de directie dat ze klager (geïnterneerd) verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten op basis van de volgende elementen:
(1) Het verweer tijdens de hoorzitting is helder en coherent. De klachtencommissie wijst er nogmaals op dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. Met een verwijzing naar de toestand van klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting spreekt de directie zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. Dit element is dan ook niet afdoende.
(2) Zijn dagelijks gedrag en functioneren toont aan dat hij zich bewust is van zijn daden/gedrag binnen detentie. Er kan volgens de klachtencommissie niet worden verwezen naar een schijnbaar constante toestand van toerekenbaarheid voor alle daden/gedrag binnen detentie, aangezien dit niet strookt met het statuut van internering. De klachtencommissie herinnert eraan dat in geval van een geïnterneerde de ontoerekenbaarheid het uitgangspunt is. Het komt aan de directie toe om te motiveren waarom ze deze specifieke feiten wél toerekenbaar acht.
(3) Uit het RAD blijkt dat betrokkene zeer coherent was op het moment van de gepleegde feiten/inbreuken. De klachtencommissie stelt vast dat de directie, door te verwijzen naar de materiële vaststellingen in het RAD, zich terecht uitspreekt over de toestand van klager op het moment van de feiten. In het voorliggend dossier acht de klachtencommissie de conclusie die de directie op basis van het RAD trok omtrent de toerekenbaarheid van de feiten echter onredelijk. De klachtencommissie ziet in het RAD een aantal aanwijzingen omtrent de geagiteerde toestand van klager. Dit doet volgens haar dan ook twijfel rijzen omtrent het gegeven of klager op het ogenblik van de feiten controle had over zijn daden. Artikel 144 §1 in fine Basiswet stelt dat de directeur zich alle nuttige informatie laat bezorgen voor de beoordeling van de zaak. In het voorliggend dossier impliceerde deze verplichting volgens de klachtencommissie dat de directie zich een advies van de arts inzake de toerekenbaarheid moest laten bezorgen, nu hier volgens de klachtencommissie op basis van de beschrijving van de feiten wel degelijk twijfel over bestaat. Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten niet afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet.
De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd. Klager krijgt als tegemoetkoming een extra douchemoment.