Ga verder naar de inhoud

KC21/23-0098

Ongegrond Gegrond Onontvankelijk KC - Merksplas Klachtencommissie Voorlopige maatregel Tucht Geen beslissing directeur
GEEN BESLISSING DIRECTEUR - VOORLOPIGE MAATREGEL - TUCHT - BEVOEGDHEID - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID - MOTIVERING

Een klacht over het loutere gedrag van een personeelslid dat niet in verband gebracht kan worden met een beslissing van de directeur betreft géén beslissing genomen door of namens de directeur ten aanzien van klager. De klacht is niet-ontvankelijk.

Er was sprake van een gevaar voor de veiligheid (van klager zelf) doordat klager een onbekende substantie inslikte. De klachtencommissie vindt het dan ook redelijk dat de directie op basis van deze feiten overging tot het opleggen van een voorlopige maatregel ten gevolge waarvan klager op de beveiligde cel werd geplaatst. Het opleggen van de voorlopige maatregel werd afdoende gemotiveerd. De klacht is ongegrond.

Uit de tuchtbeslissing blijkt dat klager slechts voor een deel van de in de twee RAD's opgesomde feiten wordt bestraft. Het is onduidelijk of de directie klager ook heeft willen sanctioneren voor de pillen aangetroffen ter gelegenheid van de fouillering op het lichaam. Volledigheidshalve verduidelijkt de klachtencommissie dat het bewijs van de feiten inzake de pilletjes in het ondergoed van klager in elk geval aangetast is door een onrechtmatigheid nu de directie de beslissing tot fouillering op het lichaam niet meer kon voorleggen. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de volgende feiten bewezen achtte: de bedreigende uitspraak, die door klager ter tuchtzitting ook erkend werd; het doorslikken van vermoedelijk verboden substantie, visueel vastgesteld door de Pba; de medicatie, voor zover handelend over de ter celcontrole en niet de ter gelegenheid van de fouillering op het lichaam aangetroffen pillen.

De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet), het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet) en het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificaties correct en afdoende gemotiveerd.

De directie motiveert dat ze klager verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten op basis van de volgende elementen:
(1) Het verweer tijdens de hoorzitting is helder en coherent. De klachtencommissie wijst erop dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. Met een verwijzing naar de toestand van klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting spreekt de directie zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. Dit element is dan ook niet afdoende.
(2) In het RAD zijn er geen aanwijzingen dat klager op het moment van de feiten ontoerekenbaar was. De directie leidt hieruit af dat klager zijn handelingen doelbewust plande. De klachtencommissie herinnert eraan dat in geval van een geïnterneerde de ontoerekenbaarheid het uitgangspunt is. Het RAD dient dan ook geen aanwijzingen in die zin te bevatten, aangezien de ontoerekenbaarheid verondersteld wordt. Het komt net aan de directie toe om te motiveren waarom ze de specifieke feiten wél toerekenbaar acht. De toevoeging “hij plande doelbewust zijn handelingen” is volgens de klachtencommissie eerder een stijlclausule die op generlei wijze gestaafd wordt door het RAD. Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten niet afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd.