KC21/23-0124
Ongegrond
Gegrond
KC - Merksplas
Klachtencommissie
Tucht
Ordemaatregel
TUCHT - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID - MOTIVERING - ORDEMAATREGEL - ARBEID - ONTSLAG
De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD. Dit RAD beschrijft niet het ontstaan van de vechtpartij. Dit RAD beschrijft wel hoe klager meerdere keren met zijn vuisten uithaalt naar het aangezicht van een medegedetineerde, die vervolgens hard uit zijn mond bloedde. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte.
De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet). De klachtencommissie acht de kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd. Het gedrag dat in het RAD beschreven wordt overstijgt volgens de klachtencommissie de grenzen van de loutere zelfverdediging.
De directie motiveert dat ze klager verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten op basis van de volgende drie elementen:
(1) Uit het RAD blijkt dat betrokkene zeer coherent was op het moment van de gepleegde feiten/inbreuken. De klachtencommissie stelt vast dat de directie zich terecht uitspreekt over de toestand van klager op het moment van de feiten. Hetgeen de directie zegt, vindt volgens de klachtencommissie echter geen ondersteuning in het eigenlijke RAD. In het voorliggend dossier is de verwijzing naar de RAD’s volgens de klachtencommissie dan ook eerder een standaardmotivering, die niet aangepast is aan de concrete stukken van het dossier. Dit element is dan ook niet afdoende.
(2) Het verweer tijdens de hoorzitting is helder en coherent. De klachtencommissie wijst er nogmaals op dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. Met een verwijzing naar de toestand van klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting spreekt de directie zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. Dit element is dan ook niet afdoende.
(3) Het dagelijks gedrag en functioneren toont aan dat klager zich bewust is van zijn daden/gedrag. Er kan volgens de klachtencommissie niet worden verwezen naar een schijnbaar constante toestand van toerekenbaarheid voor alle daden/gedrag binnen detentie, aangezien dit niet strookt met het statuut van internering. De klachtencommissie herinnert eraan dat in geval van een geïnterneerde de ontoerekenbaarheid het uitgangspunt is. Het komt aan de directie toe om te motiveren waarom ze deze specifieke feiten wél toerekenbaar acht. Dit element is dan ook niet afdoende.
Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten niet afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd.
Klager werd bij beslissing van 23 augustus 2023 ontslagen uit zijn functie bij Korven. De directie motiveerde afdoende waarom klager niet langer beantwoordt aan de voor de arbeidspost gestelde vereisten. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie zich genoodzaakt zag klager te ontslaan nadat hij gedrag stelde dat niet verenigbaar is met het uitoefenen van een functie in het werkhuis. De motivering is voldoende duidelijk en stelt klager in staat de reden voor zijn ontslag te begrijpen. De klacht is ongegrond.
De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD. Dit RAD beschrijft niet het ontstaan van de vechtpartij. Dit RAD beschrijft wel hoe klager meerdere keren met zijn vuisten uithaalt naar het aangezicht van een medegedetineerde, die vervolgens hard uit zijn mond bloedde. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte.
De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet). De klachtencommissie acht de kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd. Het gedrag dat in het RAD beschreven wordt overstijgt volgens de klachtencommissie de grenzen van de loutere zelfverdediging.
De directie motiveert dat ze klager verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten op basis van de volgende drie elementen:
(1) Uit het RAD blijkt dat betrokkene zeer coherent was op het moment van de gepleegde feiten/inbreuken. De klachtencommissie stelt vast dat de directie zich terecht uitspreekt over de toestand van klager op het moment van de feiten. Hetgeen de directie zegt, vindt volgens de klachtencommissie echter geen ondersteuning in het eigenlijke RAD. In het voorliggend dossier is de verwijzing naar de RAD’s volgens de klachtencommissie dan ook eerder een standaardmotivering, die niet aangepast is aan de concrete stukken van het dossier. Dit element is dan ook niet afdoende.
(2) Het verweer tijdens de hoorzitting is helder en coherent. De klachtencommissie wijst er nogmaals op dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. Met een verwijzing naar de toestand van klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting spreekt de directie zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. Dit element is dan ook niet afdoende.
(3) Het dagelijks gedrag en functioneren toont aan dat klager zich bewust is van zijn daden/gedrag. Er kan volgens de klachtencommissie niet worden verwezen naar een schijnbaar constante toestand van toerekenbaarheid voor alle daden/gedrag binnen detentie, aangezien dit niet strookt met het statuut van internering. De klachtencommissie herinnert eraan dat in geval van een geïnterneerde de ontoerekenbaarheid het uitgangspunt is. Het komt aan de directie toe om te motiveren waarom ze deze specifieke feiten wél toerekenbaar acht. Dit element is dan ook niet afdoende.
Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten niet afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd.
Klager werd bij beslissing van 23 augustus 2023 ontslagen uit zijn functie bij Korven. De directie motiveerde afdoende waarom klager niet langer beantwoordt aan de voor de arbeidspost gestelde vereisten. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie zich genoodzaakt zag klager te ontslaan nadat hij gedrag stelde dat niet verenigbaar is met het uitoefenen van een functie in het werkhuis. De motivering is voldoende duidelijk en stelt klager in staat de reden voor zijn ontslag te begrijpen. De klacht is ongegrond.