KC21/23-0161
Gegrond
Onontvankelijk
KC - Merksplas
Klachtencommissie
Andere beslissing directeur
Tucht
Geen beslissing directeur
TUCHT - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID - MOTIVERING - CELMUTATIE - GEEN BESLISSING DIRECTEUR - BEVOEGDHEID
Volgens de klachtencommissie brachten klager en zijn advocaat geen elementen aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte. De directie kwalificeerde de feiten als het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden (artikel 130, 1° Basiswet). De klachtencommissie acht de kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd. In het voorliggend dossier motiveert de directie dat ze klager (geïnterneerd) verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten op basis van de volgende elementen. Uit het RAD ‘lijkt’ de directie te kunnen opmaken dat betrokkene zich bewust moeide in de situatie omdat hij het niet eens was. Dit wordt bevestigd door de uitleg die klager geeft ter tuchtzitting: betrokkene geeft aan van mening geweest te zijn dat de medegedetineerde in kwestie verkeerd bejegend werd en hij wilde daarin tussenkomen. De klachtencommissie stelt vast dat de directie, door te verwijzen naar het RAD, zich terecht uitspreekt over de toestand van klager op het moment van de feiten. Door de woordkeuze in de motivering (“lijkt”), meent de klachtencommissie echter dat de directie onvoldoende laat blijken op basis van het RAD overtuigd te zijn van het gegeven of klager de feiten wetens en willens heeft gepleegd. Deze (dubbelzinnige) formulering vervolgens louter aanvullen met hetgeen klager ter tuchtzitting verklaart, maakt dat de toerekenbaarheid van de feiten niet afdoende gemotiveerd werd. De vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat immers op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. Dat klager nadien (ter tuchtzitting) een verklarende uitleg geeft (lees: een reden geeft voor zijn reactie), zegt niets over het gegeven dat hij er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen (lees: deze reactie te stellen). Zoals de advocaat al aanhaalde, kan het om een impulsreactie gaan, die klager niet onder controle had. De motivering voldoet niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond. De bestreden beslissing wordt vernietigd.
Klager beklaagt zich over een beslissing waarbij hij naar een ander paviljoen overgeplaatst werd (mutatie). De toewijzing van een verblijfsruimte aan de gedetineerde veronderstelt een beslissing die behoort tot de bevoegdheid van de directeur. In het voorliggend dossier werd de beslissing genomen door het zorgteam van de opendeurafdeling. De directeur geeft in haar verweer aan dat deze beslissing door haarzelf ‘ondersteund werd’. De klachtencommissie acht de beslissing gebrekkig op de volgende punten:
(1) De beslissing werd genomen door het zorgteam, met miskenning van de bevoegdheid van de directie ter zake. Uit het verweer van de directie blijkt duidelijk dat de beslissing door één of meerdere medewerkers van het zorgteam werd genomen en pas daarna bijkomend werd onderschreven door de directie. In het verweer wordt niet aangetoond dat de medewerker(s) van het zorgteam die in concreto de bestreden beslissing heeft/hebben genomen, hiertoe op voorhand gemachtigd waren door de directie (waardoor het een beslissing namens de directie zou kunnen zijn).
(2) De motivering van de beslissing is zeer algemeen en onduidelijk geformuleerd. Uit de motivering blijkt niet voldoende wat de precieze en concrete motieven zijn die hebben geleid tot de beslissing tot mutatie van klager. De motivering stelt klager niet in staat om de reden van zijn mutatie te begrijpen. Er wordt enkel in algemene bewoordingen verwezen naar “het gedrag (van klager) ten aanzien van personeel (zorg en bewaking) en bewoners” en het “discomfort”. Welk problematisch gedrag hij dan specifiek gesteld zou hebben of waar het discomfort op slaat is niet duidelijk. Uit de toelichting in de klacht blijkt dat men ten aanzien van klager nog mondeling verklaard heeft dat het zou gaan om een “negatieve houding”. Klager zegt ook niet te begrijpen waar dit op slaat. De klacht is gegrond.
Klager beklaagt zich over het gegeven dat hij niet naar een zitting van de KBM werd gebracht. Het transport van gedetineerden naar de rechtbank behoort tot de bevoegdheid van de DAB, een dienst die onder de politie ressorteert. In het voorliggend dossier was er volgens de klachtencommissie dan ook geen sprake van een beslissing van de directeur in de zin van artikel 148 Basiswet. De klacht is niet-ontvankelijk.
Klager stelt dat er rapportbriefjes gericht aan de griffie verdwijnen. De klachtencommissie ziet geen aanwijzingen dat het een beslissing van de directie zou uitmaken om de rapportbriefjes niet door te geven aan hun bestemmeling. Blijkens het verweer van de directie werd er in september bovendien wel degelijk een rapportbriefje in de zin waarover klager spreekt (waaruit bleek dat klager klacht wou indienen), doorgegeven aan de politie. De klacht is niet-ontvankelijk.
Volgens de klachtencommissie brachten klager en zijn advocaat geen elementen aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte. De directie kwalificeerde de feiten als het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden (artikel 130, 1° Basiswet). De klachtencommissie acht de kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd. In het voorliggend dossier motiveert de directie dat ze klager (geïnterneerd) verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten op basis van de volgende elementen. Uit het RAD ‘lijkt’ de directie te kunnen opmaken dat betrokkene zich bewust moeide in de situatie omdat hij het niet eens was. Dit wordt bevestigd door de uitleg die klager geeft ter tuchtzitting: betrokkene geeft aan van mening geweest te zijn dat de medegedetineerde in kwestie verkeerd bejegend werd en hij wilde daarin tussenkomen. De klachtencommissie stelt vast dat de directie, door te verwijzen naar het RAD, zich terecht uitspreekt over de toestand van klager op het moment van de feiten. Door de woordkeuze in de motivering (“lijkt”), meent de klachtencommissie echter dat de directie onvoldoende laat blijken op basis van het RAD overtuigd te zijn van het gegeven of klager de feiten wetens en willens heeft gepleegd. Deze (dubbelzinnige) formulering vervolgens louter aanvullen met hetgeen klager ter tuchtzitting verklaart, maakt dat de toerekenbaarheid van de feiten niet afdoende gemotiveerd werd. De vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat immers op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. Dat klager nadien (ter tuchtzitting) een verklarende uitleg geeft (lees: een reden geeft voor zijn reactie), zegt niets over het gegeven dat hij er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen (lees: deze reactie te stellen). Zoals de advocaat al aanhaalde, kan het om een impulsreactie gaan, die klager niet onder controle had. De motivering voldoet niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond. De bestreden beslissing wordt vernietigd.
Klager beklaagt zich over een beslissing waarbij hij naar een ander paviljoen overgeplaatst werd (mutatie). De toewijzing van een verblijfsruimte aan de gedetineerde veronderstelt een beslissing die behoort tot de bevoegdheid van de directeur. In het voorliggend dossier werd de beslissing genomen door het zorgteam van de opendeurafdeling. De directeur geeft in haar verweer aan dat deze beslissing door haarzelf ‘ondersteund werd’. De klachtencommissie acht de beslissing gebrekkig op de volgende punten:
(1) De beslissing werd genomen door het zorgteam, met miskenning van de bevoegdheid van de directie ter zake. Uit het verweer van de directie blijkt duidelijk dat de beslissing door één of meerdere medewerkers van het zorgteam werd genomen en pas daarna bijkomend werd onderschreven door de directie. In het verweer wordt niet aangetoond dat de medewerker(s) van het zorgteam die in concreto de bestreden beslissing heeft/hebben genomen, hiertoe op voorhand gemachtigd waren door de directie (waardoor het een beslissing namens de directie zou kunnen zijn).
(2) De motivering van de beslissing is zeer algemeen en onduidelijk geformuleerd. Uit de motivering blijkt niet voldoende wat de precieze en concrete motieven zijn die hebben geleid tot de beslissing tot mutatie van klager. De motivering stelt klager niet in staat om de reden van zijn mutatie te begrijpen. Er wordt enkel in algemene bewoordingen verwezen naar “het gedrag (van klager) ten aanzien van personeel (zorg en bewaking) en bewoners” en het “discomfort”. Welk problematisch gedrag hij dan specifiek gesteld zou hebben of waar het discomfort op slaat is niet duidelijk. Uit de toelichting in de klacht blijkt dat men ten aanzien van klager nog mondeling verklaard heeft dat het zou gaan om een “negatieve houding”. Klager zegt ook niet te begrijpen waar dit op slaat. De klacht is gegrond.
Klager beklaagt zich over het gegeven dat hij niet naar een zitting van de KBM werd gebracht. Het transport van gedetineerden naar de rechtbank behoort tot de bevoegdheid van de DAB, een dienst die onder de politie ressorteert. In het voorliggend dossier was er volgens de klachtencommissie dan ook geen sprake van een beslissing van de directeur in de zin van artikel 148 Basiswet. De klacht is niet-ontvankelijk.
Klager stelt dat er rapportbriefjes gericht aan de griffie verdwijnen. De klachtencommissie ziet geen aanwijzingen dat het een beslissing van de directie zou uitmaken om de rapportbriefjes niet door te geven aan hun bestemmeling. Blijkens het verweer van de directie werd er in september bovendien wel degelijk een rapportbriefje in de zin waarover klager spreekt (waaruit bleek dat klager klacht wou indienen), doorgegeven aan de politie. De klacht is niet-ontvankelijk.