TUCHT
De klachtencommissie is bevoegd voor het behandelen van klachten tegen elke beslissing die door of namens de directeur ten aanzien van de gedetineerde werd genomen (artikel 148 Basiswet). De mededeling tot de opstart van een tuchtprocedure veronderstelt een beslissing van de directeur (artikel 144, §3 Basiswet). Een klacht tegen een beslissing tot opstart van een tuchtprocedure valt dan ook onder het toepassingsgebied van het beklagrecht. De klacht werd tijdig ingediend. De klacht is ontvankelijk. De klachtencommissie kan de klacht inhoudelijk beoordelen.
De klachtencommissie wijst erop dat de klacht niet kan begrepen worden als zijnde gericht tegen de navolgende tuchtbeslissing (of in het voorliggend dossier: de beslissing tot niet-opleggen van een tuchtsanctie), aangezien die beslissing dateert van 15 november 2023, na het indienen van de klacht.
Hoewel de mededeling tot opstart van een tuchtprocedure ingevolge artikel 144 §3 Basiswet gebeurt “indien de directeur meent dat de feiten een tuchtrechtelijk gevolg vereisen”, dient deze passage samengelezen te worden met de overige paragrafen van artikel 144 Basiswet. Het feit dat de gedetineerde nog gehoord wordt (§3), eventueel met bijstand van een advocaat (§4), hij zijn middelen van verdediging mondeling dan wel schriftelijk kan uiteenzetten (§5) en de directeur nadien een beslissing neemt (§6) zorgt er voor dat de loutere opstart van een tuchtprocedure allerminst gelijkgesteld kan worden met het effectief opleggen van een tuchtsanctie.
De beslissing van de directeur om een tuchtprocedure op te starten kan in het voorliggend dossier dan ook niet als onwettig of onredelijk bestempeld worden. De klachtencommissie merkt op dat de tuchtprocedure ten aanzien van klager overigens uitmondde in een beslissing tot het niet-opleggen van een tuchtsanctie (hoewel klager dit op het ogenblik van indiening van zijn klacht nog niet kon weten). De klacht is ongegrond.
De klachtencommissie is bevoegd voor het behandelen van klachten tegen elke beslissing die door of namens de directeur ten aanzien van de gedetineerde werd genomen (artikel 148 Basiswet). De mededeling tot de opstart van een tuchtprocedure veronderstelt een beslissing van de directeur (artikel 144, §3 Basiswet). Een klacht tegen een beslissing tot opstart van een tuchtprocedure valt dan ook onder het toepassingsgebied van het beklagrecht. De klacht werd tijdig ingediend. De klacht is ontvankelijk. De klachtencommissie kan de klacht inhoudelijk beoordelen.
De klachtencommissie wijst erop dat de klacht niet kan begrepen worden als zijnde gericht tegen de navolgende tuchtbeslissing (of in het voorliggend dossier: de beslissing tot niet-opleggen van een tuchtsanctie), aangezien die beslissing dateert van 15 november 2023, na het indienen van de klacht.
Hoewel de mededeling tot opstart van een tuchtprocedure ingevolge artikel 144 §3 Basiswet gebeurt “indien de directeur meent dat de feiten een tuchtrechtelijk gevolg vereisen”, dient deze passage samengelezen te worden met de overige paragrafen van artikel 144 Basiswet. Het feit dat de gedetineerde nog gehoord wordt (§3), eventueel met bijstand van een advocaat (§4), hij zijn middelen van verdediging mondeling dan wel schriftelijk kan uiteenzetten (§5) en de directeur nadien een beslissing neemt (§6) zorgt er voor dat de loutere opstart van een tuchtprocedure allerminst gelijkgesteld kan worden met het effectief opleggen van een tuchtsanctie.
De beslissing van de directeur om een tuchtprocedure op te starten kan in het voorliggend dossier dan ook niet als onwettig of onredelijk bestempeld worden. De klachtencommissie merkt op dat de tuchtprocedure ten aanzien van klager overigens uitmondde in een beslissing tot het niet-opleggen van een tuchtsanctie (hoewel klager dit op het ogenblik van indiening van zijn klacht nog niet kon weten). De klacht is ongegrond.