Ga verder naar de inhoud

KC21/24-0006

Gegrond KC - Merksplas Klachtencommissie Tucht
TUCHT - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID - MOTIVERING

Klager haalt ter tuchtzitting en in zijn klacht vooral zijn eigen slachtofferschap aan, hetgeen ook niet betwist wordt door de directie. Hij geeft aan de veiligheid van het personeelslid niet in het gedrang te hebben willen brengen. Hij ontkent dat hij de medegedetineerde verder geprovoceerd heeft. Klager brengt volgens de klachtencommissie echter geen tegenindicaties aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten van het blijven provoceren van de medegedetineerde bewezen achtte.

De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de orde (artikel 129, 5° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.

De directie motiveerde dat ze klager (geïnterneerd) verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten op basis van de volgende elementen:
(1) De uitleg tijdens de hoorzitting is helder en coherent. Klager kan op coherente en chronologische wijze het relaas van de feiten uiteenzetten. De klachtencommissie wijst er nogmaals op dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. Met een verwijzing naar de toestand van klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting spreekt de directie zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. Dit element is dan ook niet afdoende.
(2) Er zijn geen aanwijzingen in het RAD dat betrokkene op het moment van de feiten ontoerekenbaar was: hij plande doelbewust zijn handelingen. De klachtencommissie stelt vast dat de directie, door te verwijzen naar het RAD zich terecht uitspreekt over de toestand van klager op het moment van de (ontdekking van de) feiten. De klachtencommissie herinnert eraan dat in geval van een geïnterneerde de ontoerekenbaarheid het uitgangspunt is. Er zijn dan ook geen aanwijzingen in het RAD in die zin nodig. Het komt aan de directie toe om te motiveren waarom ze de specifieke feiten wél toerekenbaar acht. Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten niet afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd.