TUCHT - KWALIFICATIE INBREUK - MOTIVERING - SANCTIE
De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in twee RAD’s van 16, één RAD van 17 en één RAD van 18 november 2024. Klager haalde ter tuchtzitting geen geloofwaardige tegenindicaties aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van de RAD’s, behoudens het bezit van de joint, waarvan hij met klem ontkent dat deze aan hem zou toebehoren. Klager herhaalt in zijn klacht dat hij alle feiten erkent heeft, behoudens de joint. Zijn klacht is dan ook enkel tegen dit aspect gericht. De directie benadrukt in haar verweer dat klager niet gesanctioneerd werd voor de joint, aangezien drugsbezit niet werd weerhouden.
De klachtencommissie meent dat de verwarring in hoofde van klager dat hij ook gesanctioneerd werd voor verboden substanties terug te leiden is tot de onnauwkeurigheid waarmee de tuchtbeslissing is opgesteld. De klachtencommissie verwijst naar de volgende twee aspecten:
- Boven de tabel inzake de inbreuken staat te lezen dat de feiten ook "verboden substanties" omvatten.
- In de motivering staat te lezen “handel tussen gedetineerden wordt als inbreuk weerhouden”. De klachtencommissie acht dit deel van de motivering bijzonder onnauwkeurig, nu de directie hiermee verwijst naar het doorgegeven van een telefoonnummer en mailadres (hetgeen een inbreuk op het huishoudelijk reglement uitmaakt).
De klachtencommissie maant de directie dan ook aan zorgvuldiger te werk te gaan in de formulering van haar tuchtbeslissing, doch meent dat de onnauwkeurigheid in het voorliggend dossier niet hoeft te leiden tot de vernietiging van de tuchtbeslissing.
De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet), de opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans roerende of onroerende goederen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 3° Basiswet), de opzettelijke aantasting van de orde, zoals omschreven in artikel 2, 7° (artikel 129, 5° Basiswet) en het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificaties correct en afdoende gemotiveerd, behoudens de opmerking die ze hierboven maakte over de formulering “handel tussen gedetineerden”.
Klager pleegde drie inbreuken van de eerste categorie en één inbreuk van de tweede categorie en kreeg de maximumsanctie van 30 dagen ATV, waarbij rekening werd gehouden met zijn verblijf in de veiligheidscel, dat verrekend werd. De klachtencommissie acht de sanctie wettelijk en redelijk. De klacht is ongegrond.
De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in twee RAD’s van 16, één RAD van 17 en één RAD van 18 november 2024. Klager haalde ter tuchtzitting geen geloofwaardige tegenindicaties aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van de RAD’s, behoudens het bezit van de joint, waarvan hij met klem ontkent dat deze aan hem zou toebehoren. Klager herhaalt in zijn klacht dat hij alle feiten erkent heeft, behoudens de joint. Zijn klacht is dan ook enkel tegen dit aspect gericht. De directie benadrukt in haar verweer dat klager niet gesanctioneerd werd voor de joint, aangezien drugsbezit niet werd weerhouden.
De klachtencommissie meent dat de verwarring in hoofde van klager dat hij ook gesanctioneerd werd voor verboden substanties terug te leiden is tot de onnauwkeurigheid waarmee de tuchtbeslissing is opgesteld. De klachtencommissie verwijst naar de volgende twee aspecten:
- Boven de tabel inzake de inbreuken staat te lezen dat de feiten ook "verboden substanties" omvatten.
- In de motivering staat te lezen “handel tussen gedetineerden wordt als inbreuk weerhouden”. De klachtencommissie acht dit deel van de motivering bijzonder onnauwkeurig, nu de directie hiermee verwijst naar het doorgegeven van een telefoonnummer en mailadres (hetgeen een inbreuk op het huishoudelijk reglement uitmaakt).
De klachtencommissie maant de directie dan ook aan zorgvuldiger te werk te gaan in de formulering van haar tuchtbeslissing, doch meent dat de onnauwkeurigheid in het voorliggend dossier niet hoeft te leiden tot de vernietiging van de tuchtbeslissing.
De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet), de opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans roerende of onroerende goederen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 3° Basiswet), de opzettelijke aantasting van de orde, zoals omschreven in artikel 2, 7° (artikel 129, 5° Basiswet) en het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificaties correct en afdoende gemotiveerd, behoudens de opmerking die ze hierboven maakte over de formulering “handel tussen gedetineerden”.
Klager pleegde drie inbreuken van de eerste categorie en één inbreuk van de tweede categorie en kreeg de maximumsanctie van 30 dagen ATV, waarbij rekening werd gehouden met zijn verblijf in de veiligheidscel, dat verrekend werd. De klachtencommissie acht de sanctie wettelijk en redelijk. De klacht is ongegrond.