Ga verder naar de inhoud

KC21/25-0033

Ongegrond KC - Merksplas Klachtencommissie Andere beslissing directeur
DEPONERING VAN VOORWERPEN

De klacht betreft de beslissing om klagers overgebrachte goederen in bewaring te nemen van de directie van de gevangenis van Merksplas. De voorwerpen die de gedetineerde bij zijn insluiting in de gevangenis bij zich draagt en de voorwerpen die hij tijdens zijn verblijf verwerft, worden overeenkomstig de regels die de koning zal vaststellen, in het belang van de orde en de veiligheid, naargelang het geval, en onverminderd andere wettelijke bepalingen, hetzij in zijn bezit gelaten, hetzij voor hem in bewaring genomen onder afgifte van een bewijs van ontvangst, hetzij op zijn verzoek uit de gevangenis verwijderd. De gedetineerde heeft het recht de hem toebehorende voorwerpen waarvan het bezit niet onverenigbaar is met de orde en de veiligheid in zijn verblijfsruimte onder te brengen dan wel bij zich te hebben, overeenkomstig door het huishoudelijk reglement te bepalen regels.
De klachtencommissie stelt vast dat de directie bij aankomst van klager een inventaris heeft opgesteld van de goederen die hij bij zich had. Daarbij werd een deel van de bezittingen op cel toegelaten en werd de rest in bewaring genomen, conform de geldende regels. Zo werd er duidelijk vastgelegd dat er vier dozen in bewaring werden genomen, waarvan de inventaris bij de doos wordt gevoegd. Uit het verweer blijkt bovendien dat klager de mogelijkheid heeft gekregen om zelf aan te duiden welke goederen prioritair naar zijn cel mochten worden meegenomen. Daarnaast kan klager stelselmatig andere goederen ontvangen op cel wanneer bijvoorbeeld voedselvoorraden zijn opgebruikt. Het is dus niet zo dat klagers goederen worden vernietigd of verloren geraken, integendeel, ze worden naar verluidt van de directie elders gestockeerd. Gezien klager zijn cel deelt met vier medegedetineerden is het begrijpelijk dat er beperkingen zijn aan het aantal voorwerpen dat effectief op cel kan worden toegelaten.

De klachtencommissie erkent dat het voor klager bijzonder frustrerend moet zijn om slechts een beperkt deel van zijn voorwerpen ter beschikking te hebben, zeker wanneer het gaat om goederen die hij met inspanning en over een langere periode heeft verworven. Toch is zij van oordeel dat de directie binnen de praktische en infrastructurele beperkingen van de gevangenis geen onredelijke of onbillijke beslissing heeft genomen. Om deze redenen is de klacht dan ook kennelijk ongegrond.