KC21/25-0042
Ongegrond
Gegrond
KC - Merksplas
Klachtencommissie
Andere beslissing directeur
Tucht
FOUILLE - CELCONTROLE - TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID
De klacht betreft het onderzoek aan de kledij, een celfouille van 22/03/2025 en een tuchtbeslissing van 26/03/2025 van de directie van de gevangenis van Merksplas.
Wat betreft het onderzoek aan de kledij:
De klachtencommissie is van oordeel dat een onderzoek aan de kledij, voorafgaand aan een celcontrole waarbij de gedetineerde nog aanwezig is in de cel, gerechtvaardigd is. Om deze redenen besluit de klachtencommissie dat deze klacht ongegrond is.
Wat betreft de celcontrole:
Klager meent dat er stelsematig celfouilles plaatsvinden, daar waar het onduidelijk is of dit plots was in het kader van het celfouilleplan dan wel specifiek aan hem gericht. De klachtencommissie is van oordeel dat klager niet aannemelijk maakt dat zijn cel meer dan ‘geregeld’ zou worden gecontroleerd. Het is evenmin aannemelijk gemaakt dat de celcontroles niet at random hebben plaatsgevonden op basis van de door de directie gegeven richtlijnen en instructies, maar bijvoorbeeld op basis van een specifieke beslissing van de directeur. De klacht is om deze redenen niet gegrond.
Wat betreft de tuchtbeslissing:
De tuchtbeslissing werd opgelegd naar aanleiding van de feiten die beschreven worden in het rapport aan de directeur (hierna: RAD) van 22/03/2025 (feiten om 17.30 uur). Na het horen van klager werd door de directie een beslissing genomen. Klager kreeg in voorliggende zaak een tuchtsanctie van 20 dagen ATV, omdat hij door de directeur schuldig werd bevonden aan de inbreuk van de eerste categorie “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties”.
De directeur moet in de motivering de elementen opnemen op basis waarvan hij de geïnterneerde verantwoordelijk acht voor zijn daden. In het voorliggend dossier motiveert de directie dat ze klager verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten, wijzend op het feit dat de handschoenen wetens en willens gebruikt lijken te zijn om de substantie te verpakken, wat toch doordachte handelingen zouden zijn in hoofde van klager. Er wordt verwezen naar de handschoenen, maar er worden geen documenten of verklaringen toegevoegd of getuigen bevraagd waaruit meer duidelijkheid kon blijken over de toestand van klager op het moment van het plegen van de tuchtrechtelijke inbreuk. Aangezien dit echter niet als zodanig terugkwam in het RAD en dus ook niet in de motivering van de tuchtbeslissing, voldoet de motivering van de toerekenbaarheid van de feiten niet aan artikel 144, §6 j° artikel 8 van de Basiswet. De klacht is om deze redenen gegrond.
De klacht betreft het onderzoek aan de kledij, een celfouille van 22/03/2025 en een tuchtbeslissing van 26/03/2025 van de directie van de gevangenis van Merksplas.
Wat betreft het onderzoek aan de kledij:
De klachtencommissie is van oordeel dat een onderzoek aan de kledij, voorafgaand aan een celcontrole waarbij de gedetineerde nog aanwezig is in de cel, gerechtvaardigd is. Om deze redenen besluit de klachtencommissie dat deze klacht ongegrond is.
Wat betreft de celcontrole:
Klager meent dat er stelsematig celfouilles plaatsvinden, daar waar het onduidelijk is of dit plots was in het kader van het celfouilleplan dan wel specifiek aan hem gericht. De klachtencommissie is van oordeel dat klager niet aannemelijk maakt dat zijn cel meer dan ‘geregeld’ zou worden gecontroleerd. Het is evenmin aannemelijk gemaakt dat de celcontroles niet at random hebben plaatsgevonden op basis van de door de directie gegeven richtlijnen en instructies, maar bijvoorbeeld op basis van een specifieke beslissing van de directeur. De klacht is om deze redenen niet gegrond.
Wat betreft de tuchtbeslissing:
De tuchtbeslissing werd opgelegd naar aanleiding van de feiten die beschreven worden in het rapport aan de directeur (hierna: RAD) van 22/03/2025 (feiten om 17.30 uur). Na het horen van klager werd door de directie een beslissing genomen. Klager kreeg in voorliggende zaak een tuchtsanctie van 20 dagen ATV, omdat hij door de directeur schuldig werd bevonden aan de inbreuk van de eerste categorie “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties”.
De directeur moet in de motivering de elementen opnemen op basis waarvan hij de geïnterneerde verantwoordelijk acht voor zijn daden. In het voorliggend dossier motiveert de directie dat ze klager verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten, wijzend op het feit dat de handschoenen wetens en willens gebruikt lijken te zijn om de substantie te verpakken, wat toch doordachte handelingen zouden zijn in hoofde van klager. Er wordt verwezen naar de handschoenen, maar er worden geen documenten of verklaringen toegevoegd of getuigen bevraagd waaruit meer duidelijkheid kon blijken over de toestand van klager op het moment van het plegen van de tuchtrechtelijke inbreuk. Aangezien dit echter niet als zodanig terugkwam in het RAD en dus ook niet in de motivering van de tuchtbeslissing, voldoet de motivering van de toerekenbaarheid van de feiten niet aan artikel 144, §6 j° artikel 8 van de Basiswet. De klacht is om deze redenen gegrond.