Ga verder naar de inhoud

KC21/25-0048

Gegrond Onontvankelijk KC - Merksplas Klachtencommissie Tucht Geen beslissing directeur Ordemaatregel
GEEN BESLISSING DIRECTEUR - TUCHT - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID - MOTIVERING

De klachten betreffen een overlast en het gedrag van een directielid, een ordemaatregel m.b.t. het openen van de post van klager en een tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Merksplas.

Over het gedrag van een directielid en geluidsoverlast: klager beklaagt zich over de overlast van zijn overbuur en het gedrag van een directielid. De klachtencommissie kan uit de klacht van klager geen beslissing van de directeur ontwaren waartegen klager tijdig een klacht indient. Klager heeft het over het gedrag van het directielid dat niet in verband kan worden gebracht met een beslissing van de directeur en bijgevolg valt dit niet onder het toepassingsgebied van het beklagrecht. De klacht is om deze redenen niet-ontvankelijk.

Over de ordemaatregel: artikel 56, §1 van de Basiswet stelt dat de uitgaande post enkel gecontroleerd kan worden indien er geïndividualiseerde aanwijzingen bestaan dat controle noodzakelijk is in het belang van de orde of de veiligheid. De veiligheid omvat daarbij zowel de interne als de externe veiligheid. De directie kan met andere woorden een dergelijke maatregel opleggen om de samenleving te beschermen.

De klachtencommissie heeft aan de directie gevraagd om een kopie van de ordemaatregel aan haar te bezorgen. De klachtencommissie ontving tot op heden geen kopie van de ordemaatregel. De klachtencommissie besluit, in navolging van de rechtspraak van de Raad van State, dat de afwezigheid van een administratief dossier wordt gelijkgesteld met de afwezigheid van deugdelijke motieven waarop de bestreden beslissing is gesteund.

De klachtencommissie heeft geen zicht op welke precieze motieven de directie haar ordemaatregel heeft gesteund. De klachtencommissie kan niet nagaan of de ordemaatregel afdoende motiveert waarom de maatregel noodzakelijk is. Bij gebreke aan dossier kan de klachtencommissie immers geen daadwerkelijke controle op de wettigheid, redelijkheid en billijkheid van de aangevochten beslissing uitoefenen. De klacht is bijgevolg gegrond.

Over de tuchtbeslissing: wat betreft tuchtbeslissingen, kan de gedetineerde alleen schuldig worden verklaard aan de hem ten laste gelegde tuchtinbreuk wanneer de directie, op grond van al het bewijsmateriaal waarover zij beschikt, de ten laste gelegde feiten bewezen acht en de daarvoor ter verantwoording geroepen gedetineerde daaraan schuldig acht. De directie heeft hierbij een discretionaire bevoegdheid.

De directeur moet in de motivering de elementen opnemen op basis waarvan hij de geïnterneerde verantwoordelijk acht voor zijn daden. De vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen.

Er worden echter geen documenten of verklaringen toegevoegd of getuigen bevraagd waaruit meer duidelijkheid kon blijken over de toestand van klager op het moment van het plegen van de tuchtrechtelijke inbreuk. Gezien klager geïnterneerd is, is er minstens een vermoeden dat zijn handelen het gevolg is van een (psychiatrische) problematiek. Er wordt echter niet aangehaald met welke psychiatrische problemen klager kampte of wat de gevolgen daarvan konden zijn. Het is dan ook een raadsel hoe de directie heeft geoordeeld dat de (psychiatrische) problematiek van klager géén impact op zijn gedrag had.

Aangezien dit echter niet als zodanig terugkwam in het RAD en dus ook niet in de motivering van de tuchtbeslissing, voldoet de motivering van de toerekenbaarheid van de feiten niet aan artikel 144, §6 juncto artikel 8 van de Basiswet. De klacht is bijgevolg gegrond.