TUCHT - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID - MOTIVERING
De directie heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD. Hierin wordt beschreven hoe klager zich tot het personeel van de MUG en de ambulance richt met de woorden “Jullie zien er maar wat bleekjes uit, teveel gesnoven ofwat?” en vervolgens in hun richting spuwt. Wanneer hij hierop wordt aangesproken door een verpleegkundige, probeert hij ook in haar richting te spuwen. Ter tuchtzitting erkent klager dat hij de spuwbeweging gemaakt heeft, doch vergoelijkt dit door te stellen dat hij onder invloed was. Volgens de klachtencommissie bracht klager ter tuchtzitting geen tegenindicaties aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de hierin opgenomen feiten bewezen achtte. De directie kwalificeerde de feiten als het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden (artikel 130, 1° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.
De directeur moet in de motivering de elementen opnemen op basis waarvan hij de geïnterneerde verantwoordelijk acht voor zijn daden. De vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. In het voorliggend dossier stelt de directie in de motivering enkel dat betrokkene de inbreuk erkent en bereid is hiervoor de verantwoordelijkheid te dragen. Ze wijst erop dat hij berouw toont tijdens de tuchtzitting. Volgens de klachtencommissie spreekt de directie zich hiermee niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. Dat hij nadien stelt verantwoordelijkheid te willen nemen of berouw te tonen, zegt niet noodzakelijk iets over klager zijn geestestoestand op het moment van de feiten. Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten dan ook niet afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond.
De directie heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD. Hierin wordt beschreven hoe klager zich tot het personeel van de MUG en de ambulance richt met de woorden “Jullie zien er maar wat bleekjes uit, teveel gesnoven ofwat?” en vervolgens in hun richting spuwt. Wanneer hij hierop wordt aangesproken door een verpleegkundige, probeert hij ook in haar richting te spuwen. Ter tuchtzitting erkent klager dat hij de spuwbeweging gemaakt heeft, doch vergoelijkt dit door te stellen dat hij onder invloed was. Volgens de klachtencommissie bracht klager ter tuchtzitting geen tegenindicaties aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de hierin opgenomen feiten bewezen achtte. De directie kwalificeerde de feiten als het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden (artikel 130, 1° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.
De directeur moet in de motivering de elementen opnemen op basis waarvan hij de geïnterneerde verantwoordelijk acht voor zijn daden. De vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. In het voorliggend dossier stelt de directie in de motivering enkel dat betrokkene de inbreuk erkent en bereid is hiervoor de verantwoordelijkheid te dragen. Ze wijst erop dat hij berouw toont tijdens de tuchtzitting. Volgens de klachtencommissie spreekt de directie zich hiermee niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. Dat hij nadien stelt verantwoordelijkheid te willen nemen of berouw te tonen, zegt niet noodzakelijk iets over klager zijn geestestoestand op het moment van de feiten. Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten dan ook niet afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond.