TUCHT - GETUIGEN - CAMERABEELDEN
De klacht is gericht tegen een tuchtbeslissing waarbij klager werd gesanctioneerd wegens de opzettelijke aantasting van de orde. Hij zou bij het binnenkomen van de wandeling de interne noodbel hebben ingeduwd.
Uit het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting blijkt dat klager ontkende dat hij op de noodbel had geduwd. Klager vroeg aan de directie om de camerabeelden te bekijken omdat de directie niet kon bewijzen dat hij op de knop had gedrukt. Tijdens de hoorzitting nam de directie telefonisch contact op met de ploegchef die het RAD had nagelezen. Zowel hij als de opsteller van het RAD bevestigden nogmaals de vaststellingen in het RAD.
De klachtencommissie meent dat de directie heeft willen tegemoet komen aan de tegenindicaties die klager opwierp tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting door telefonisch contact op te nemen met het personeel over de vaststellingen in het RAD. De klachtencommissie is echter van oordeel dat de bevestiging van de ploegchef die niet als getuige van de feiten staat vermeld op het RAD, geen meerwaarde was voor de bewijskracht van het RAD. Bovendien heeft de directie artikel 144, §5, vijfde lid van de Basiswet miskend door de getuige niet te horen in aanwezigheid van klager. De klachtencommissie is van oordeel dat de directie voor een zorgvuldige feitenvinding de camerabeelden had moeten bekijken. De klachtencommissie besluit dat de directie op grond van het RAD de tuchtrechtelijke inbreuk niet in redelijkheid en billijkheid kon toerekenen aan klager.
Wat betreft de tuchtsanctie merkt de klachtencommissie op dat in de motivering van de tuchtbeslissing sprake is van een sanctie van zeven dagen ATV terwijl eerder in de tuchtbeslissing er sprake is van vijf dagen. Nochtans vereist Collectieve Brief nr. 124 dat de tuchtbeslissing zorgvuldig moet worden ingevuld en dat de gedetineerde die het voorwerp uitmaakt van een tuchtbeslissing de elementen dient te kennen die hem toelaten de precieze draagwijdte van de beslissing te begrijpen. Dat kan niet van klager verwacht worden indien er in één beslissing twee verschillende tuchtsancties worden vermeld.
Om al deze redenen besluit de klachtencommissie dat de klacht gegrond is.
De klacht is gericht tegen een tuchtbeslissing waarbij klager werd gesanctioneerd wegens de opzettelijke aantasting van de orde. Hij zou bij het binnenkomen van de wandeling de interne noodbel hebben ingeduwd.
Uit het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting blijkt dat klager ontkende dat hij op de noodbel had geduwd. Klager vroeg aan de directie om de camerabeelden te bekijken omdat de directie niet kon bewijzen dat hij op de knop had gedrukt. Tijdens de hoorzitting nam de directie telefonisch contact op met de ploegchef die het RAD had nagelezen. Zowel hij als de opsteller van het RAD bevestigden nogmaals de vaststellingen in het RAD.
De klachtencommissie meent dat de directie heeft willen tegemoet komen aan de tegenindicaties die klager opwierp tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting door telefonisch contact op te nemen met het personeel over de vaststellingen in het RAD. De klachtencommissie is echter van oordeel dat de bevestiging van de ploegchef die niet als getuige van de feiten staat vermeld op het RAD, geen meerwaarde was voor de bewijskracht van het RAD. Bovendien heeft de directie artikel 144, §5, vijfde lid van de Basiswet miskend door de getuige niet te horen in aanwezigheid van klager. De klachtencommissie is van oordeel dat de directie voor een zorgvuldige feitenvinding de camerabeelden had moeten bekijken. De klachtencommissie besluit dat de directie op grond van het RAD de tuchtrechtelijke inbreuk niet in redelijkheid en billijkheid kon toerekenen aan klager.
Wat betreft de tuchtsanctie merkt de klachtencommissie op dat in de motivering van de tuchtbeslissing sprake is van een sanctie van zeven dagen ATV terwijl eerder in de tuchtbeslissing er sprake is van vijf dagen. Nochtans vereist Collectieve Brief nr. 124 dat de tuchtbeslissing zorgvuldig moet worden ingevuld en dat de gedetineerde die het voorwerp uitmaakt van een tuchtbeslissing de elementen dient te kennen die hem toelaten de precieze draagwijdte van de beslissing te begrijpen. Dat kan niet van klager verwacht worden indien er in één beslissing twee verschillende tuchtsancties worden vermeld.
Om al deze redenen besluit de klachtencommissie dat de klacht gegrond is.