TUCHT - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID
De klacht gaat over de tuchtbeslissing genomen door de directie van de gevangenis van Merksplas.
Een gedetineerde kan alleen tuchtrechtelijk gesanctioneerd worden wanneer de directeur, op grond van al het bewijsmateriaal waarover hij beschikt, de ten laste gelegde feiten bewezen acht en de daarvoor ter verantwoording geroepen gedetineerde daaraan schuldig acht. Gelet op de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de directeur, is de klachtencommissie enkel bevoegd om na te gaan of de feitenvinding zorgvuldig gebeurde, of er werd uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens en of de appreciatiebevoegdheid op een zorgvuldige wijze werd uitgeoefend.
In eerste instantie meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk werd opgesteld en chronologisch het relaas van de feiten beschrijft. De klachtencommissie is ook van oordeel dat klager geen overtuigende elementen heeft aangevoerd waaruit de klachtencommissie kan afleiden dat het rapport geen correcte weergave zou zijn van de feiten. De klachtencommissie is van oordeel dat de directie in de motivering van de tuchtbeslissing afdoende heeft gemotiveerd waarom de feiten een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakten. De klachtencommissie acht de kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.
De klachtencommissie stelt vervolgens vast dat klager geïnterneerd is. De directeur moet in de motivering de elementen opnemen op basis waarvan hij de geïnterneerde verantwoordelijk acht voor zijn daden. De vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen.
De klachtencommissie stelt vast dat de directie voor de beoordeling van de toerekenbaarheid van de tuchtrechtelijke inbreuken aan klager in hoofdzaak verwijst naar de bepalingen van het RAD van 11/08/2025. De klachtencommissie is echter van oordeel dat dit RAD onvoldoende elementen bevat die toelaten om een correct beeld te vormen van de geestesgesteldheid van klager op het moment van de feiten. Daarnaast is de klachtencommissie van oordeel dat het feit dat klager tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting helder communiceert en adequaat de vragen van de directeur beantwoordt, niets zegt over de vrije wil en het oordeelsvermogen van klager op het moment van de feiten. Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de inbreuken aan klager dan ook niet afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet niet aan art. 144, § 6 en art. 8 van de Basiswet.
De klacht is om deze redenen gegrond.
De klacht gaat over de tuchtbeslissing genomen door de directie van de gevangenis van Merksplas.
Een gedetineerde kan alleen tuchtrechtelijk gesanctioneerd worden wanneer de directeur, op grond van al het bewijsmateriaal waarover hij beschikt, de ten laste gelegde feiten bewezen acht en de daarvoor ter verantwoording geroepen gedetineerde daaraan schuldig acht. Gelet op de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de directeur, is de klachtencommissie enkel bevoegd om na te gaan of de feitenvinding zorgvuldig gebeurde, of er werd uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens en of de appreciatiebevoegdheid op een zorgvuldige wijze werd uitgeoefend.
In eerste instantie meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk werd opgesteld en chronologisch het relaas van de feiten beschrijft. De klachtencommissie is ook van oordeel dat klager geen overtuigende elementen heeft aangevoerd waaruit de klachtencommissie kan afleiden dat het rapport geen correcte weergave zou zijn van de feiten. De klachtencommissie is van oordeel dat de directie in de motivering van de tuchtbeslissing afdoende heeft gemotiveerd waarom de feiten een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakten. De klachtencommissie acht de kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.
De klachtencommissie stelt vervolgens vast dat klager geïnterneerd is. De directeur moet in de motivering de elementen opnemen op basis waarvan hij de geïnterneerde verantwoordelijk acht voor zijn daden. De vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen.
De klachtencommissie stelt vast dat de directie voor de beoordeling van de toerekenbaarheid van de tuchtrechtelijke inbreuken aan klager in hoofdzaak verwijst naar de bepalingen van het RAD van 11/08/2025. De klachtencommissie is echter van oordeel dat dit RAD onvoldoende elementen bevat die toelaten om een correct beeld te vormen van de geestesgesteldheid van klager op het moment van de feiten. Daarnaast is de klachtencommissie van oordeel dat het feit dat klager tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting helder communiceert en adequaat de vragen van de directeur beantwoordt, niets zegt over de vrije wil en het oordeelsvermogen van klager op het moment van de feiten. Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de inbreuken aan klager dan ook niet afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet niet aan art. 144, § 6 en art. 8 van de Basiswet.
De klacht is om deze redenen gegrond.